1: Ja! Naakt als de stenen: "tot de macht van de betovering zich tegen je keert"

K. Michel (Michael Maria Kuijpers) schreef al vroeg in verschillende literaire tijdschriften, zowel proza als poëzie. Tijdens zijn studententijd gaf hij samen met studiegenoot en collega-dichter Arjen Duinker het tijdschrift Aap Noot Mies uit, dat in zijn vierjarig bestaan 30 keer verscheen. Sommige gedichten daaruit verschenen in 1989 in zijn debuutbundel Ja! Naakt als de stenen. Hij gebruikte voor zijn publicaties inmiddels het pseudoniem K. Michel.

In die tijd behoorde Michel tot een groep jonge dichters die zichzelf 'De Maximalen' noemden en die zich verzetten tegen de starheid en onverschilligheid die ze zagen in de dichtkunst van (onder andere) Van Deel en Kusters. De groep streefde naar straatrumoer en realiteit in gedichten en gebruikte daarvoor meer 'open' vormen van poëzie - 'lyriek uit het volle hart', zoals Pieter Boskma de stijl karakteriseerde. In het debuut van Michel klinkt de dynamiek die de Maximalen voor ogen hadden duidelijk door. De tweede afdeling, 'De namen zijn blauw', bevat een gedicht waarin 'de dichter' wordt aangesproken op een manier die typerend is voor de bundel:

Dichter!
Kam je haar, poets je schoenen!
Trek je innerlijk aan!
We gaan de wind een hand geven.
We gaan de horizon begroeten.

Zoveel te zien! Zoveel te doen!

We gaan de taal van de vogels leren.
We eten het zand van de tijd.
We blazen de wereld als een glas.

Ja! De namen zijn adem.
Het licht is een vogelkreet.
De waarheid is een fabel.
(p. 40)



Het enthousiasme van de dichter uit zich in korte, heldere zinnen en veelvuldig gebruik van uitroeptekens. De aanmoedigende toon wekt de indruk dat de schrijver - met de onbevangenheid van een blij kind - niet kan wachten om zijn ideeën aan de lezer kenbaar te maken:

Aya!
Het is alles of niets!

Houd op met rekenen
Pak je valies
Laat de melancholie, het huis
Je agenda, de kat, de schulden achter.
(p. 36)



De dichter gebruikt ook de imperatief wanneer hij zichzelf toespreekt en goede raad geeft over zijn levenshouding:



Wees redelijk. Schaam je.
Beter je leven.

En:



Volg het gezond verstand.
Spaar en presteer.
Luister naar je geweten.

Zoals ijzer ijzer scherpt
zo scherpt het je wezen.
(p. 14)

Alle wonden zullen helen, besluit hij berustend. Het idee dat het leven en de consequenties van je daden niet altijd te overzien zijn, is een thema dat vaker voorkomt in deze gedichtenbundel. Bijvoorbeeld in 'Jeugdherinneringen', waarin hij zich ervaringen van vroeger voor de geest haalt. De dichter beschrijft hoe hij als kind naar 'grote mensen' keek en hen nooit begreep. Ze vertelden rare verhalen en hadden het altijd te druk om naar hem om te kijken:



Tante Tía bijvoorbeeld:
Ooo wat leuk. Maak er nog maar een. Ik ben zo terug.

Je moest altijd voor jezelf zorgen.
(p. 21)

Wanneer je iets leerde, zoals lezen of de telefoon opnemen, ging het 'per ongeluk', zegt de dichter. Uit het gedicht spreekt zijn ergernis aan het gedrag van de volwassenen van toen: ze bedachten regels en bouwden alles vol:



Uiteraard niet over nagedacht.
Te druk om de baas te spelen.

Na een opsomming van milde frustraties trekt hij de heldere conclusie:



Toestanden.

Absoluut geen beschaving.
(p. 22)

In sommige gedichten is tussen de regels door een glimp op te vangen van de filosofische inslag van de dichter. De invloed van zijn studie filosofie is vooral te merken als het gedicht over twijfel en vertwijfeling gaat:



Je denkt dat je hoofd zwaar is
van het filosoferen.
Je denkt dat je knieën kraken
door het gewicht van de tijdgeest,
dat je maag van streek is door je onbewuste.
(p. 18)

De dichter probeert zichzelf ervan te overtuigen dat hij moet ophouden met piekeren over alle vermoeiende verplichtingen en de hectiek van bestaan. Hij vraagt zich af of hij er zelf - als dichter die kracht put zijn poëzie - niet door geraakt zal worden. Schrijven houdt ook isolement in, concentratie en al dan niet tijdelijk afgesneden zijn van vrienden en familie:

Kan ik dit dragen? Overzie ik de gevolgen van die daad?
Waarom ben ik uitverkoren, ik, een simpele dichter
Is dit het begin van het einde, moet ik de rest van mijn leven
doorbrengen in deze onzekere nacht
bang om in slaap te vallen, bang om het dromend uit te spreken
wachtend op de morgen, wachtend op een teken
wachtend op een besluit
(p. 37)

In 'In de academie' probeert een leerling een alternatief te formuleren voor de eeuwenoude filosofische opvattingen over de ontastbare geest en de diepere betekenis daarvan. De spreker wijst op de vormen van de dingen die zichtbaar zijn aan de oppervlakte:



Erkenning en rijkdom doen niet meer ter zake
Voor schaamte is nu geen plaats
Het licht wacht

De waarheid is hier
(p. 26)

Michel onderzoekt het leven en maakt daarbij gebruik van beeldende fragmenten en spreektaal.

De vlakte
is een droge zonnebloem
De stad in de verte
Een witte doos.
(p. 31)



En:

Een glazen schaal met water
staat in het midden van het balkon

In de stilte van de ochtend
Tussen groen en blauw
(p. 35)

Zowel in de manier waarop hij zijn observaties opschrijft, als in de keuze van zijn onderwerpen zijn opvallende overeenkomsten te vinden met Octavio Paz (1914-1998), de Mexicaanse dichter wiens werk Michel ook heeft vertaald in Het vuur van iedere dag (1990):



Zwart de hemel
                                  Geel de aarde
De haan verscheurt de nacht
Het water staat op, vraagt naar de tijd
De wind staat op en vraagt naar jou
(Het vuur van iedere dag, p. 15)



En:



Straal van licht: een vogel
zingend op het terras
In de bergen en valleien
van je lichaam breekt de dag aan.
(Het vuur van iedere dag, p. 62)

De natuur in al haar vormen inspireert beide dichters. Deze fascinatie voor water, wind en licht blijkt ook uit de reisbeschrijvingen in het derde deel van Michels debuut, 'De weg van het water'. Hij schetst een reis door de Zwitserse bergen:



Gigantische massa's ijs, steen en klei
die je in het donker
op de tunnel voelde drukken
en die je eenmaal in het licht
hoog en majestueus achter de auto zag oprijzen.

Even later gaat het over de bijdrage van de mens aan vormgeving van het landschap:



Steden in een vlakte van nevel
Beschavingen die worden gesticht en uitgewist
Koepels, torens, paleizen en bibliotheken
Hier en daar
                              Alles in beweging
(p. 51)