1: 27 gedichten en geen lied
De debuutbundel van Ramsey Nasr, 27 gedichten & geen lied (2000), ging niet onopgemerkt voorbij: Nasr werd met deze bundel genomineerd voor de C. Buddingh'-Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. 'Geen lied', de monoloog aan het einde van de bundel, werd bekroond met de Mary Dresselhuysprijs 2000.
Eén van de dingen die opvalt aan de bundel is de vorm van de gedichten. De versregels van de lange gedichten zijn aaneensluitend, niet verdeeld in strofen en elke regel begint met een hoofdletter. De korte gedichten zijn in verschillende versvormen geschreven, waaronder sonnetten. Het taalgebruik is beeldend. De bundel begint met een duidelijk statement: niet de orde is volmaakt, maar juist de wanorde. Wat volmaakt is, moet ontwricht worden:
Ik ben niet warrig; ik ontwricht de chaos
Die doorgaans voor volmaakt doorgaat: ik weet,
Maar wie met inzicht blind zich meten wil,
Weeg af uw kansen en ontvang uw deel.
De ik-persoon in het gedicht zet de werkelijkheid naar zijn hand:
De hemelen beweeg ik. Ik verzet
De bergen die mij tegenstaan naar elders.
(p. 7)
Veel gedichten in de bundel gaan over liefde of het ontbreken daarvan. In sommige gedichten is de geliefde afwezig en wordt gedaan alsof dat de bedoeling is, maar uit de laatste regels blijkt dat de buitenwereld doordesemd is van de afwezige geliefde: ze is alomtegenwoordig, bijvoorbeeld in het gedicht dat begint met de versregel 'Mijn wit plafond en ik':
MIJN WIT PLAFOND EN IK,
wij ontwaken weer tezamen.
Het bedmetaal en ik,
Wij scheiden minnaars van elkaar.
'k Heb niemand nodig. Kijk,
Hoe ik de theekop stevig kus.
Ik wijdopen dode ramen
En je geur is buitenlucht.
(p. 25)
Om 'wijdopen' als werkwoord te gebruiken, is typisch voor de stijl van Nasr. Hij gebruikt niet alleen onverwachte grammaticale constructies, ook vreemde woorden als 'metsen' en het Vlaamse 'doorheen' hanteert hij als vanzelfsprekend. Niet alleen de afwezigheid van een geliefde wordt beschreven; in 'Haar kussen waren lang' wordt juist de (lichamelijke) aanwezigheid van een geliefde bezongen:
HAAR KUSSEN WAREN LANG
En zonder blozen
Trok zij het lichaam uit
De lippen open
Waar zij zich langzaam gaf
Half heet half roze.
Zo lag zij als de vrucht
Waarop ze wachtte
Haar borsten volgebloed
Twee benen bracht ze
Vaneen en langzaamaan
Het allerzachtste.
(p. 15)
In het erotische gedicht 'Ontstentenis' lijkt de ik-figuur in eerste instantie boos en verdrietig; de geliefde is niet eerlijk geweest en is toch vertrokken. Hierdoor blijft de ik-figuur alleen achter:
Hoezeer je ook hoopt op minder fel verwijten,
Ik blijf pijnlijk alleen. Je hebt verzaakt
Je woord, want weerloos heb ik jou bewaakt,
Sinds jij mij zei, dat jij mij mettertijd en
Evenzeer begeren zou.
Toch blijft de ik-figuur verlangen naar liefde. De laatste strofe van het gedicht luidt:
Nog eens wil ik over jouw lichaam zwerven,
Schurende slechts langs schenen, schouderbenen.
De hals. Een borst. Je buik en binnenbenen
En onder buik verstild: heel zachtjes sterven
In de vrouwenzoete dauw.
(p. 20)
Liefde, lijden en dood zijn steeds terugkerende thema's in het werk van Nasr. In het gedicht 'Nacht' speelt de dood een grote rol:
Ik haat je niet. Lief heb ik je en gedood,
Zoals men vaker doet om te overleven.
Je weet dat ik geen keuze had: 't was jij,
Of ik nu wilde of niet. Je had gezondigd.
Het was een vreemd soort sterven, vind je niet?
De ik-figuur blijft onzeker achter:
Zelfs van je dood heb ik geen vrucht geplukt.
Je bent volmaakt en af, ik geef mij over.
Heel even was ik opgelucht, toen jouw
Schaduw vervaagde, niet beseffend, dat
Jij ook de nacht regeert. In duisternis
Verblijf ik en waarom begrijp ik niet.
(p. 26)
Nasrs Palestijnse afkomst - zijn vader is Palestijn - is een thema in zijn gedichten. De uitzichtloosheid van het conflict tussen Israël en Palestina en de spiraal van geweld is bijvoorbeeld verbeeld in de regel 'een volk dat zebrapaden aanlegt over wonden':
WIE WEET MIJ EINDELIJK, WELKE DODENTOLK,
Te doen bedaren in gezworen haat.
Ik volg de vaderen om vroeg en laat
Mijn land te zien. Ik leef tegen een volk
Dat zebrapaden aanlegt over wonden,
Dat boven onze botten steen op steen
Bewoont, dat leven wil voor zich alleen.
Leeft dan in angst. Ons bloed wordt niet geronnen.
Op hoeveel scherven vlees weerkeert het recht.
En opgeblazen domme wraak en gal
Is wat er rest, als hersenen gaan denken.
'Men mag een mens een leven niet ontschenken.
Ik hoop dat ik geen bommen maken zal.'
(p. 31)
In de bundel staan ook bewerkingen van twee psalmen, namelijk psalm 6 en 38. De originele psalmen zijn te bekijken op de website van het Nederlands Bijbel Genootschap: psalm 6
en psalm 38. Door de bewerking van Nasr worden de liederen bekentenis en liefdesgedicht in één. Het volgende gedicht is een vrije vertaling uit het Latijn van psalm 6:
Lieveling oordeel mij
Maar zonder woede.
Sleur me maar mee
Maar niet zo boos.
Heb meelij met me lieveling
Want ik ben zwak.
Heel mij, mijn lieveling
Want in gebreke zijn mijn botten.
Mijn geest is hevig in de war
Maar tot hoever?
(p. 34)
Psalm 38':
Lieveling oordeel mij
Maar zonder woede.
Sleur me maar mee
Maar niet zo boos.
Je pijlen zijn me ingeboord.
Je hand hangt boven mij.
(p. 35)
Het tweede gedeelte van de bundel is een monoloog (in verzen) van bijna 1000 regels. Het is een bewerking van het mythologische verhaal van Orpheus en Eurydice. Eurydice wordt vastgehouden in de onderwereld nadat ze dodelijk gewond is geraakt door de beet van een slang. Orpheus gaat naar haar op zoek. De goden staan hem toe haar te redden uit de onderwereld, maar dan moet hij er wel op vertrouwen dat Eurydice hem volgt; hij mag niet achterom kijken. Orpheus doet dat toch en verliest zijn geliefde voor de tweede keer.
De monoloog van Ramsey Nasr verwoordt het verdriet van Orpheus:
Het klagen is begonnen. Vanaf hier
Draait zich een lange grijze treurzang om
En om, een oude cent om in de mond
Te houden, op te zuigen. Donker spuug
Als een herinnering te drinken. Mijn
Herinnering.
(p. 41)
Vandaag voor ons geen lied,
Geen honingvogel, tjif-tjaf.
Vandaag breek ik de snavels
Van alle vogels af,
Als jij mij achterliet.
Als jij mij achterliet,
Zou ik boos moeten worden
Op elke lieve bloem;
Vertrappen en verdorren,
Tot jij me zei van niet.
(p. 44)
Orpheus staat in de mythologie bekend om zijn prachtige zang en zijn betoverende snarenspel:
Voor jou alleen heb ik gezongen. Liedjes
Om te versieren met een zacht gegiechel.
(p. 46)
In het mythologische verhaal zal Orpheus zijn geliefde Eurydice niet uit de onderwereld kunnen redden. In 'Geen lied' verzint Orpheus 'een nieuwe dood' voor Eurydice. Dat is de dood die haar alleen met veel moeite zal kunnen vinden:
Ik zal een nieuwe dood voor je verzinnen,
Eén die zijn best moet doen om jou te vinden.
Ik ben zover. Ik kom eraan, mijn lief.
Mijn voeten zijn van vleugels; ik vertrek,
Ik ben al onderweg, ik ben vertrokken.
(p. 49)
Als hij over de grens van de dood heen gaat, ervaart hij dit anders dan hij dacht: niet een gevecht met hellehonden staat hem te wachten, maar een subliem inzicht in zijn eigen zangen. Zijn geliefde blijft hem ontgaan en wat rest is een gekoesterde herinnering.
Nu wil ik je niet vinden. Deze kou
Is alomvattend, maar ik koester je.
Mijn stem, mijn lier en jouw herinnering.
(p. 51)
- Lees verder over Ramsey Nasrs werk: 2: Onhandig bloesemend
- Terug naar Introductie