2: Onhandig bloesemend

De bundel Onhandig bloesemend uit 2004 werd, evenals de eerste bundel, lovend ontvangen door de pers. Was er in 27 gedichten & geen lied al sprake van literaire verwijzingen (intertekstualiteit), deze tweede bundel van Nasr grossiert erin. De vorm van de gedichten is sterk veranderd: zo speelt Nasr meer met de bladspiegel, zie bijvoorbeeld de afbeelding van pagina 13: het gedicht 'die koppijn'. In deze bundel beginnen versregels niet meer met een hoofdletter, zoals in de eerste bundel wel het geval was.

De bundel bestaat uit drie delen: 'voor de linkerhand', 'dichter liefde' en 'wintersonate (zonder piano en altviool)'. Het eerste deel, 'voor de linkerhand', lijkt een uitnodiging, maar aan wie en waarvoor? Het is geen warm welkom:

treed binnen allerzwartste
met je gezandstraalde ziel
gerangschikte tranen
treed binnen en brul als een dame

schreeuw onder een houten doek
opnieuw cadenza na cadenza
sterf in een lijf dat niet van jou is
zing tot bloedens toe
                                                        ik wacht

beuk open de rode zaal
ik heb haar schoon en stil gemaakt
en smeek je wees mijn opera
da capo
                                       kus dit lege hart
(p. 7)

Net als in de eerste bundel van Nasr, staat in Onhandig bloesemend opnieuw een bewerking van een psalm, namelijk psalm 23. Een andere - minder vrije - vertaling van deze pslam is te lezen op de website van het Nederlands Bijbel Genootschap: psalm 23.

mijn lieveling menne mij
en niets zal mij mankeren

op plekken van bloei daar entte ze me
op krachtwater kweekte ze me
mijn adem draaide ze
ze richtte mijn ziel
ontvoerde me langs paden van rechtvaardigheid
omwille van haar naam
(p. 22)

Net als in 27 gedichten & geen lied is de dood ook in deze gedichten aanwezig, zoals in het gedicht 'slotkoor'. Dit gedicht werd gebruikt als slotkoor in Leven en hel, een operette waarvoor Nasr het libretto schreef in opdracht van Theater Lantaren/Venster.



het is niet de dood die je bevriest
het is niet de dood die je benauwt
het is dat allebei en meer
de dood is houvast in de duisternis
met borden UIT achterstevoren
goed is de dood oneindig goed
vergeleken bij dit levenloze
vallen vallen van het doek dat
valt

en de zaal is leeg en de vloer is klein
en het doek kent geen begin of eind
(p. 19)

Ook in het gedicht 'bse mkz dioxine varkenspest', waarin een boer één van zijn dieren aanspreekt, is de dood nabij:

dag gijs het leven zit erop mijn jong
er werd niet veel gelachen dat is waar
maar zie het ook van onze kant de dood
wat is de dood het is maar een gebaar
(p. 8)

Het tweede deel 'dichter liefde' is gebaseerd op de liederen-cyclus Dichterliebe (opus 48, 1-16) van de Duitse componist Robert Schumann (1810-1856). Schumann heeft teksten van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797-1856) op muziek gezet. De gehele liederencyclus is te lezen op een website over de Duitse zanger Fritz Wunderlich. Het eerste lied van Schumann begint met de versregels:



Im wunderschönen Monat Mai
Als alle Knospen sprangen
Da ist in meinem Herzen
Die Liebe aufgegangen
.

Het eerste gedicht van Nasrs 'dichter liefde' begint zo:

dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water
(p. 27)

Het tweede lied van Heine begint met de regels:



Aus meinen Tränen sprießen
Viel blühende Blumen hervor
Und meine Seufzer werden
Ein Nachtigallenchor.


In Nasrs gedicht gaat het als volgt:

onhandig als bloesems telkens uit ogen spriesen
keihard op stengels dan nog openvouwen ook
vlak voor je neus natuurlijk het zal eens niet
geen moer zie je maar het blijven toch je bloemen

Duitse woorden klinken ook door in Nasrs gedicht:

en een koor van nachtigalen hoort
(p. 28)

Sommige gedichten van Nasr hebben een lyrisch inslag. Het gedicht 'credo' lijkt door de woordkeus een ode aan de Romantiek, met termen als 'fulpen bloembladen', 'avondschimmering', 'pronkgedwongen'. Maar tussen lyrisch vocabulaire en betekenis gaapt soms een diepe kloof: sommige uitspraken zijn hard en zeer onromantisch. Nasr heeft zelf verklaard geen romanticus te zijn.

In een interview met Mark Schaevers in
Humo (25 mei 2004) vertelde Nasr over dit gedicht ('credo'): 'Nee, als je iets over mijn positie wil begrijpen, is het beeld van de quetzal in het gedicht 'credo' het belangrijkst. De quetzal is een zeldzame vogel - prachtige, smaragdgroene kuif - vooral geliefd om zijn lange staart. Met die staart kan hij onmogelijk op een normale manier van zijn tak wegvliegen, hij zou blijven haken. Dus wat doet de quetzal? Hij tuimelt achterover, en stijgt dan op' en de conclusie van Nasr luidt: 'je kan van je handicap je kracht maken, je kan je gedicht laten stralen.' Na vijf strofen van drie (lange) regels is een cesuur geplaatst, waarmee de titel 'credo' aan de orde komt:

                                                        ik geloof

in fulpen bloembladen het kapotte karmijn van de avondschimmering
in de pronkgedwongen achterwaartse vlucht van de quetzal
zijn lange smaragdgroene staart onhandig stralend omwille van haar

in bespottelijke praalzucht bewijst hij diensten van leven op dood
en ik geloof in baarlijke liefde er staat wat er staat alsof het niets is

vergeleken bij liberiaanse rebellen is ook groepsverkrachting poëzie
aan schuim hecht ik in volle ijdelheid draag ik mijn nacht als een buidel
(p. 46)

In vijf gedichten uit dit deel van de bundel komt 'frederik wonderlik' voor. Dit is de naam die Nasr geeft aan Fritz Wunderlich (1930-1966), de befaamde tenor uit Duitsland die op 36-jarige leeftijd na een ongelukkige val van de trap overleed. Hij was één van de bekendste vertolkers van de liederen van Schumann, waarop Nasr zich hier baseert.



en dit is nu
het grote witmoderne hok
frederik wonderlik ligt van de trap
hier helpt geen kelk of lelie
hier is geen genezen
enkel nog de glimmende sonde
in je weerbaar geoefende vlees van de nacht
(p. 34)

Ook in het gedicht 'bitterlijk huis' komt Wunderlich als 'frederik' terug:

frederik wonderlik huilt niet meer
hij droomde niet kneep niet in armen
toen hij steenkoud liggen zag
hoe zij een overduidelijk graf

metterdag was ze onomstotelijk geworden
(p. 45)

En 'frederik wonderlik' is aan het einde van hetzelfde gedicht 'voorgoed ontwaakt in bitterlijk huis':



hij huilt niet meer naar jong gebruik
heeft nooit aan niemand toebehoort
voorgoed ontwaakt in bitterlijk huis
frederik wonderlik leeft voort

Het derde en laatste deel van de bundel, 'wintersonate (zonder piano en altviool)', is geschreven ter nagedachtenis van de twintigste-eeuwse Russische componist Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975). Naar aanleiding van diens Wintersonate - altvioolsonate nr. 147 - creëert Nasr een beeld van de componist. Biografische gegevens worden verwerkt in drie gedichten: 'I - moderato' (gematigd), 'II - allegretto' (levendig, vrolijk) en 'III - adagio' (gematigd langzaam). Deze titels verwijzen naar de verschillende delen van de sonate. Sjostakovitsj schreef een groot deel van zijn muzikale oeuvre in het Rusland van Stalin. Hij stierf in 1975 aan de gevolgen van longkanker. In zijn gedichten gebruikt Nasr gegevens uit het leven van de componist:

contrarevolutionaire klieren
scheiden het af als nooit tevoren
enzymen produceren het met bakken
gemis

vreemd vocht in de cyste
fout van mijn lichaam
het is de fout van mijn tandenspuwend hart
maar aan de aardigste leider aller tijden
was ik bereid het af te staan
(p. 53)

Sjostakovitsj stelt zich in het gedicht 'III - adagio' zelf aan de lezer voor:



wij kennen elkaar niet
mijn naam is sjostakovitsj
zal ik maar zeggen
ik houd van glazoenov
(p. 63)

En in hetzelfde deel zegt de componist over zijn passie:

ik houd hartstochtelijk veel van muziek
ik heb mij totaal gewijd aan muziek
er bestaan geen geneugten in het leven anders dan muziek
alles aan het leven is muziek
als ze mijn handen afhakken
zal ik volharden in muziek
zij het met de pen tussen mijn tanden
(p. 65)

Veel Russische namen vallen in dit gedicht: namen van vrienden die verdwenen, namen die vergeten zijn of zullen worden. Op een gegeven moment is Sjostakovitsj net als sommigen tot 'volksvijand' verklaard. Hij vertelt dat hij Stalin heeft ontmoet en niet bang was. In het volgende fragment vergelijkt Sjostakovitsj zichzelf met twee Russische schrijvers, Gogol en Tsjechov. Voor hen is de dood reëel en aanwezig, zegt hij, terwijl voor hemzelf de dood geen rol speelt, alsof de dood ver weg is:



ik bezit kracht noch wijsheid
geloof niet erg in de eeuwigheid
sta niet enthousiast tegenover de dood
tsjechov was niet bang voor de dood
gogol stierf uit angst voor de dood
ik bezing hem niet
ik ben van nature een toeschouwer
(p. 70)

In de laatste zinnen van het gedicht heeft het woord 'klaar' een dubbele betekenis: de muziek is helder ('klaar'), maar ook afgelopen:



en de muziek is helder
helder en klaar
(p. 75)