3. onze-lieve-vrouwe-zeppelin
De bundel onze-lieve-vrouwe-zeppelin [hij gebruikte geen hoofdletters in de titel] schreef Nasr in 2005, toen hij een jaar stadsdichter was van Antwerpen. Nasr heeft naar een toon gezoch waarmee hij alle Antwerpenaren zou kunnen aanspreken. Dat werd, zoals Ramsey Nasr het zelf zei in een interview in de Volkskrant van 22 april 2006 in essentie meerstemmige poëzie. In het gedicht 'Achter een vierkante vitrine' lijkt Nasr letterlijk op te schrijven wat mensen op straat tegen hem, in zijn functie als stadsdichter, zeggen:
dees hier was altijd een nette buurt
met fatsoenlijke hoeren afrikanen verslaafden
portugezen albanezen polen pakistanen
chinezen en proper tramjeanetten
enfin marginalen gelijk gij en ik
alles ging goe en nu krijgen we dit
(p. 17)
De bewoners klagen over alle veranderingen die in hun buurt worden doorgevoerd. Het blijkt (zoals Nasr verder verduidelijkt in een toelichting bij de gedichten) een nieuw geopende bibliotheek te zijn die de gemoederen van de bevolking zo bezig houdt. Maar de Antwerpenaren lijken uiteindelijk toch wel tevreden met de komst van de bibliotheek:
en het kon me niets nog schelen
ze mochten alles begot met me doen
overgeleverd aan dit weke dit erogene brein
schoot ik op en neer tussen kasten van permeke
ik schoof ze uiteen
en bekeek ze van binnen
stiekeme kabardoesjkes van me
soepele benen van papier
1 voor 1 en alfabetisch
opende ik mijn vlaamse hoofd
om ze erin te kunnen bewaren
als een bosbrand
als krijsende groene papagaaien
tegen een tropische rotswand
(p. 24
)
Nasr doet meer dan alleen de stem van de Antwerpenaar - compleet met zijn dialect - vertolken. Ook artikelen in de krant over Antwerpse zaken konden de aanleiding tot een stadsgedicht vormen. In de lange regels van het gedicht 'het huis van honing en melk' gaat Nasr bijvoorbeeld in op de problematiek rondom huisjesmelkers, die destijds zeer actueel was in Antwerpen:
de vrouw op het statige zuid bestaat niet. overdag begraaft ze zichzelf.
ze huurt de seconden en uren af in een dure onzichtbare stad.
het huis dat de vrouw bewoont bestaat niet. ik weet waar. in deze straat
ligt het stiltegebied van de woondienst. een gat gevuld met kamers.
(p. 31)
De gedichten in onze-lieve-vrouwe-zeppelin hebben allemaal iets met Antwerpen te maken. Zo heeft Nasr een gedicht geschreven over de dierentuin van de stad, maar ook over de muzikant Wannes van der Velde en over de arme mensen van Antwerpen. Ook schreef hij een gedicht voor de universiteit en voor de opening van het 'integratiehuis' Atlas, dat in 2006 in Antwerpen werd geopend. Opvallend in de gedichten die Nasr als stadsdichter schreef is dat hij vooral de inwoners van de stad laat spreken. Slechts af en toe komt de dichter zelf - direct - aan het woord, zoals in het gedicht 'stadsplant', waarin hij beschrijft hoe hij als stadsdichter op een andere manier gedichten schreef. In het eerste deel van dit gedicht wandelt de dichter door de stad en komt hij een hem onbekend Antwerpen tegen. De straten zijn opengebroken en hij valt in een kuil:
toen ik ontwaakte met de smaak van moeras in mijn mond
bevond ik mij in een donker, een onbekend ontwerp, iets van
antwerpen ja maar als stelsel van buizen, ruien en ingangen
ideale stad voor dichters en ratten, een deadline met zijtakken
(p. 9)
De ik-persoon komt er achter dat hij zich in een 'spiegelstad' bevindt die exact op Antwerpen lijkt. De stad heeft echter alleen geen inwoners, dus de dichter zwerft er dagen lang alleen rond, wat hij helemaal geen bezwaar lijkt te vinden
toegegeven, gezellig was het niet beneden, weinig ambiance
maar wat een rust: geen telefoon, geen achterklap of niks
en mogelijkheden voor het oprapen in deze spiegelstad
in deze kanalen zou ik met liefde willen verdwalen
(p.10)
Als de dichter uiteindelijk zijn weg naar boven weer vindt, komt hij uit in de kathedraal. Hij merkt dat hij niets is veranderd, dat hij zichzelf is gebleven:
Niet stilaan in een hij veranderd, maar in een gedicht op vakantie
(p. 10)
In het tweede deel van het gedicht verandert de 'ik' alsnog in een 'hij'. Nu zijn de Antwerpenaren aan het woord, die helemaal niet blij lijken te zijn met de komst van de stadsdichter, die wordt voorgesteld als een enorme reus die een ravage aanricht in de stad:
we renden in paniek de 1e de beste kathedraal in
en zagen nog juist hoe hij (hij weer!) al rijmend en broebelend
de heilige vloer met gedenkplaten van onderen kopstoten gaf
erdoorheen brak en triomfantelijk de ruimte betrad als een zaad
vreselijk was het
(p. 11-12)
In het derde deel van het gedicht is de stadsdichter aan zijn eerste gedicht begonnen. Hij wordt echter tot de orde geroepen door de inwoners van de stad, die het geheel veel te zweverig vinden. Ze adviseren hem over het echte stadsleven te schrijven:
waarom ruikt ge niet eens aan de geurende boezem van onze stad?
gij telt blaadjes op afstand en schrijft tevreden: een bloem zag ik
maar kom toch dichter, ruik, we zijn echt meneer, wij leven
pas als ge aan ons gesnoven hebt, aan ons vlees, ons bloed
onze petrol en sluikstort diep in onze kelk, dan misschien
doen we mee aan uw zweverig straatnamen-tric-trac spel
(p. 15)
Naast de stadsgedichten bevat de bundel ook een afdeling met gedichten over de zeppelin, het luchtschip waarmee Nasr de kathedraal van Antwerpen vergelijkt. Hij beschrijft achtereenvolgens de historische pogingen om te kunnen vliegen, de ontwikkeling van de zeppelin en de bombardering van Antwerpen, tijdens de Eerste Wereldoorlog, door de luchtschepen. De afdeling eindigt met een gedicht dat een brief van een zeppelinvaarder aan zijn geliefde voorstelt. Het blijkt een brief te zijn die is geschreven vanaf de Hindenburg, die in 1937 bij New York verongelukte:
eindelijk
tot snel
bedenk
1000 keer
hou ik van je
en ik ben alvast geen filosoof
van je taime toujours of mon amour
maar ik hou van je
als van het leven
sorry van het hakenkruis
ze hadden geen ander zegels
voor eeuwig je
suizende Z-vaarder
veel kussen vanuit
de hindenburg
(p. 133-134)
De bundel is geïllustreerd met oude zwart-wit foto's van de Antwerpse Zoo in 1915, de heraanleg van de Scheldekaaien uit 1885, twee luchtballonnen aan de Herentalsevaart in ongeveer 1870 en andere momentopnamen uit de geschiedenis van de stad Antwerpen. De gedichten leggen zo een verbinding tussen het heden en de actualiteit met de geschiedenis en de continuïteit.
Terug naar Introductie