1: "Wie schept het door je aderen?"
Boerentijger
Tonnus Oosterhoff debuteerde met Boerentijger in 1990. Hij wordt gezien als een postmodern schrijver, met een voorkeur voor vergaande assocaties, citaten en verwijzingen en variaties op versvormen en rijmschema's. In deze eerste bundel, Boerentijger, werd fiks wat overhoop gehaald: zaad krijgt bij Oosterhoff de kleur van oud lamplicht en bloed gedraagt zich als fijne klei:
Wie schept het door je aderen?
(p. 9)
Er staan veel neologismen in het eerste deel van deze gedichtenbundel. Zo is er sprake van tulpeschedel, ruggekaars, zeepzacht, denkvocht, glasogen, trekkebenen en honinggazon. De Nederlandse woordenschat wordt door Oosterhoff aldus aangevuld. Een stichtelijk gedicht met de titel 'Scheren' gaat over een predikant in de badkamer. Het heeft gepaard rijm en doet daardoor denken aan een Sinterklaasgedichtje.
Op het schavot van vel over been
glijdt om geloofswil het mes langs hem heen.
Hier speelt Oosterhoff met overbekende citaten: 'de Heer is mijn herder' wordt aangehaald, maar in een andere dan de gebruikelijke contekst:
De Heer is mijn herder, 'k heb al wat mij lust.
De dienaar van 't woord grijnst ongerust.
Zijn kind, een klein broertje, vraagt een zoen.
Zijn lippen missen half. Overdoen?
(p. 12)
Af en toe duikt een sonnet in de bundel op, waarin zowel alliteratie als eindrijm wordt gebruikt, zoals de combinaties 'huis af' en 'hondsdraf', 'rode muts' en 'rovershut'. Er is ook minder voor de hand liggend eindrijm in 'paarse' en 'waar ze'.
De openbaren snijden de weg naar huis af.
Ik vlucht achterlangs maar uit de paarse
schaduwen klimmen hun gestalten waar ze
sluipen ben ik al. Hunner de hondsdraf.
(p. 17)
Het is een komen en gaan van gepersonificeerde voorwerpen.
De muur waaide op en verdween.
De zon zelf deed zijn intrede.
Portretten vergeelden
en het aardwerk weende.
(p. 24)
Er zijn ook opmerkingen op rijm over gedichten en het dichten zelf: woorden en zinnen laten zich niet goed plaatsen.
Dit hier zijn oude woorden
in slecht geharkte zinnen.
Dit pad gaat niet naar binnen.
De dood komt me vermoorden.
Het gedicht gaat over een 'Kunstschilder' met weinig inspiratie tot vernieuwing, waarbij Oosterhoff ouderwetse elisie en inversie gebruikt en de toon van J.C. Noordstar weet te treffen:
Mijn stijve pik penselen
konden geen luister velen
onder mijn eend're luchten.
Het doek zal de schilder straffen, nog steeds in negentiende eeuwse trant:
Nu komen ze me worgen
en aan de duizend bomen
die ik in rijen wrong
daar mag ik hangen komen.
(p. 27)
Ook dagelijkse spreektaal dringt door tot in het gedicht:
Ze wil gerust wel
de sterren doorslikken
als de hemel omlaag komt.
(p. 32)
In 'Loofbos' komt de tegenstelling tussen lyrisch dichter en de banale werkelijkheid in het zicht:
Ik herinner me het zo:
maandenlang kon een enkel woord
aan de oever leven.
En het was stil; zo stil
dat ik het hakenkruis
in me roteren hoorde.
Houtzagers in een ander dal.
Blauwe schaduw. Waterval.
(p. 33)
Hoeren worden bezocht:
Een vrouw met handen als schuiers
verhuurde hem vaginaalvocht,
las andere boeken.
De man verwacht, naar later blijkt onterecht, een ontmaskering:
Hij verwachtte ontmaskerd te worden
bij onpersoonlijke muziek, bij kunstlicht
maar niet iedereen is een bedrieger.
Zijn naaktheid trok naar binnen
(p. 35)
En ook in het rijmende gedicht, opgebouwd uit vier kwatrijnen, ligt achter het sprookjesachtige begin een verrassing op de loer (toon en verteltrant doen overigens denken aan de vroege gedichten van Gerrit Komrij):
'Gebrek aan niets', de villa met het rietdak,
een vlot geveegde lucht, kwiek staartmezengeklauter.
Het struikgewas geeft niets dan puntgave kabouter.
Lange dikke bewoners wonen er met gemak.
De jongste reus staat zich flink af te trekken,
keldervocht dromend. Met zijn jong geslacht
houdt hij zijn zusters kreunend in zijn macht.
(p. 42)
Er zijn familieleden in allerlei soorten. Ook 'Ooms en tantes'. De ooms hebben brede belangstelling voor grassen en halmen, en voor een luchtschip waarover ze worden voorgelicht. De tantes zijn gebocheld, koud en ontevreden. Ze nemen wraak op de ooms:
Wie sterk is draagt meer verantwoordelijkheid
dan de lichamelijk kwetsbare. Juist waardevol.
Thuis verbranden de Tantes gras en documentatie.
(p. 45)
Vaak verandert in de laatste regel de betekenis van het gedicht (zoals ook bij Komrij). In het gedicht 'Koude' over de pluimbalspeelsters van de schilder Antoine Watteau luidt de laatste regel:
De koude is niet geschilderd maar echt.
(p. 47)
Pas door deze laatste zin wordt definitief duidelijk dat het voorafgaande tafereel niet alleen een schilderij betreft (de naam van de schilder was immers al verraden), maar bovendien dat onecht vaak echter is dan echt.
De ingeland
In de tweede bundel, De ingeland (1993), worden absurdistische teksten afgewisseld met sprookjesachtige verhalen die een wrede inslag hebben, zonder gruwelijk te worden. Bij de grappige, anekdotische verhalen herinnert de stijl soms aan die van Toon Tellegen.
In de formulestruiken hurkt een gestalte.
Waarna de maan tevoorschijn komt en een verklaring aflegt:
Maan verklaart: een licht zomeroverhemd is
van de lijn gevallen over een bosje,
heeft zijn omgeving als inhoud aangenomen.
(p. 6)
In het gedicht 'Lagune' is het goed mis: er wordt gesteund, maar door wie?
In het diepst van de zee worstelen walvissen met kraken.
(p. 7)
Af en toe wordt door een buitenstaander een aanwijzing gegeven:
Er is iets met uw manier van lopen niet goed.
Het is een vreemde aanwijzing en de waarschuwing dat er bij dit lopen 'een goedje dat nood heet' wordt aangemaakt en de gevolgen daarvan zijn niet minder vreemd:
schaamte bij alle betrokkenen.
U kunt ermee doorsporten maar
naast het sportveld ligt het kerkhof, dat weet u.
(p. 9)
In een ander gedicht blijkt een vulkaan actief te zijn:
Het grillig gevormde oppervlak
- pas op voor blauwig gas -
- als de schoenen smelten moeten we terug -
is de korst van respect en wantrouwen.
(p. 13)
Van alles wordt besproken en niet zachtzinnig.
Ik heb met kanker zitting in de gemeenteraad
en u vraagt hoe dat is.
(p. 14)
Daarna volgt een relaas over doktersbezoek, woekeringen, verklevingen, onmatig vochtverlies, kringspier en koorts. De conclusie is:
Daar praat je dan over. Maar doorgaans?
Ik word gehaald en gebracht en ik zit hier prima.
(p. 15)
'Notities van een weggejaagde arts' is een drie pagina's tellend prozagedicht over een would-be arts. Hij heeft de manier en methodes van een kwakzalver:
De landeigenaar moest lachen toen ik de dochter wees op
het onnatuurlijke in haar vegetariër zijn:
'Het is voor een stuk vlees niet half zo erg om in het lichaam
te verdwijnen als voor een plant.'
(p. 19)
Hem wordt gevraagd waar de ziel huist en zijn antwoord is:
De ziel is een hinderlijk stralend bolletje, dat de organen
verontrust en verblindt.
Over de baarmoeder heeft de pseudo-arts ook een eigenzinnige opvatting:
'De baarmoeder is volgens Plato een wezen dat verlangt
naar het maken van kinderen. Wanneer het lang zonder
vrucht blijft hoewel de tijd rijp is kan het die ergernis slecht
verkroppen. Het zwerft overal door het lichaam, het ver-
stopt de luchtwegen.
(p. 20)
Personificatie komt ook in deze tweede bundel regelmatig voor:
Het water begon zich te schamen
voor wat het was en altijd gedaan had.
(p. 22)
In het gedicht 'Winter in Leimuiden' ligt het ijs vuistdik en zijn de wolken verkouden:
Over wat zon leunen halflange wolken.
Ze hoesten gedwongen achter hun hand, zacht.
(p. 23)
Een gedicht over vakantie laat de genoegens van het kamperen zien:
Aan de overkant herinnerde de trein langs,
dus de huidtent stond in no time.
De 'overwegende' geniet met volle teugen van het omringend landschap.
Fijnzinnige observatie!
Een golf graag, zo'n droge van een Japanse houtsnede,
die op land kan lopen. Orde maken en terug de rivier in.
(p. 27)
Een gedicht dat vaak geciteerd wordt in recensies lijkt erom te gaan hoe het is om Tonnus Oosterhoff te zijn.
Het is een genoegen
Tonnus Oosterhoff te zijn.
'Ik zou het ook wel willen.'
Jawel, maar dat gaat niet!
(p. 28)
Het begin van dit gedicht (het heet ook: 'Tonnus Oosterhoff') is natuurlijk een variant op het bekende gedicht van T.S. Eliot (dat vertaald werd M. Nijhoff): 'How unpleasant to meet Mr. Eliot!'. In een ander gedicht wordt een uitje beschreven:
Ginds rijdt de bus naar Rustenburg
vlak achter de bus naar Schuilenburg.
De wiegende ruggegraten herinneren mij,
herinneren zich herinneren mij.
Al dat meegaan voor nadenken.
(p. 29)
In een titelloos gedicht blijkt dat in taal alles mogelijk is: niet alleen kun je over water lopen, je kunt er zelfs overheen schaatsen:
Aan de rand van een zwembassin bindt een zin noren aan,
staat op, blaast in zijn handen, schaatst met stellige blik
tussen water hoestend zich uit de voeten makende hoofden.
Koninginnen en koningen bevolken de gedichten van Oosterhoff:
De koning is wreed, maar het lot is wreder
voor de oven. Ja, en voor de koning, die moet zien hoe de
zin rustig door het vuur wandelt.
(p. 37)
In een van de laatste gedichten uit de bundel is de lente een tijd van wreedheden:
In de eerste dagen van de lente wordt hij gevonden, gespietst
en gedroogd, er zijn dus vijanden.
Daarna volgt opnieuw een neologisme ('waaigras') in een ongebruikelijk manier om de omgeving te beschrijven:
Ze waden bij vermoedelijk de grens, in alle vroegte,
door het waaigras, tot het middel door ontkleuringsmiddel.
En ook hier personificatie:
De ochtend komt met grote sprongen oranje schuin langs
de helling omlaag.
(p. 42)
De bundel eindigt met een aansporing: 'En nu weer naar binnen: vangen zou onzuiver zijn', dus gaat de lezer mee naar binnen en paradoxaal de bundel uit.
- Lees verder over Oosterhoffs werk: 2: "De zee in de kwal roept o"
- Terug naar Introductie