Introductie
Nadat Willem Jan Otten zich liet dopen en toetrad tot de katholieke kerk werd zijn geloof ook onderwerp van poëzie. Al sinds zijn debuut in 1973 hield hij zich in zijn gedichten bezig met filosofie en waarneming; zijn poëzie is steeds een verkenning van het wonderlijke in het alledaagse.
De eerste gedichten van Otten waren miniaturen van - bijvoorbeeld - manke katten, wind, schaarse woorden, dwaalgasten, zandstralen. Maar in de langere gedichten, zoals De eend en Het paard d'amour nam hij de tijd om overtuigingen en levensopvattingen te vangen in de avonturen van een eend en een paard. Zijn laatste bundels proberen christelijke en klassieke thema's te overdenken op een serieuze wijze, maar zonder de lichte toon van zijn vroege werk te verliezen.
Zelf schreef hij dat poëzie overleeft door zich stil te houden, door 'niet volledig begrijpelijk te zijn, geen sociale veranderingen te beïnvloeden, niemand tot last te zijn'. Poëzie kan afwachten. 'Poëzie moet liggen en hoe langer zij ligt des te bijzonderder van binnen zij wordt.'
Het werk in citaten: