"Rollend door een vestzaklabyrint": 1980-1991
In de bundel Ik zoek het hier (1980) worden de onderwerpen van Willem Jan Otten diverser dan in de vroegere bundels. Daarnaast zijn er talrijke verwijzingen naar de mythologie en naar collega-dichters en treft de lezer filosofische overdenkingen over poëzie aan. De bundel oogt dan ook een stuk abstracter, ook in stijl. De eerste afdeling heet 'Begin is nooit begin':
Aan leven is geen houden
Het dijt terwijl ik schrijf
naar alle kanten uit,
begin is nooit begin,
want elke eerste zin
schreeuwt om een eerste zin.
Zo schuift mijn denken
denken van zich af
(p. 9)
De dichter zegt: 'Ik zoek het hier', namelijk in de korte, overzichtelijke regels en strofen van een gedicht.
Van water staat niet vast
of het zo is,
water heeft geen lichaam,
en geen tijd.
Het doet zich voor,
aan elke blik opnieuw,
van iedereen, altijd,
als nieuw
(p. 10)
Over dat nieuwe wordt vervolgens beweerd, dat het op pad moet naar een plaats waar het onderdak kan vinden, het moet een eigen plaats in ons geheugen, in ons leven, krijgen om te overleven:
Het nieuwe dat bij ons geheugen wil
moet op reis, kogeltje rollend
door een vestzaklabyrint
(p. 11)
In de volgende afdeling 'Verschijningen' is het eerste gedicht, 'Zon, vrouw, kamer', opvallend: het gaat over een kamer die in de zon baadt en beschrijft hoe de zon door de kamer gaat, als een volgspot en als een vrouw die alles kritisch inspecteert.
Om tien uur komt zij op.
Vestigt koel een blik
op mij
(p. 15)
en:
Pas tegen theetijd neemt zij
afscheid, smeulend in behang.
(p. 15)
De toon is afwisselend serieus bespiegelend en lichtvoetig in deze afdeling. Bijvoorbeeld in 'Binnenpret':
Ik voelde om de hoeken van mijn mond
iets tintelen, twee spiertjes glimlach
(p. 17)
In het gedicht 'Geesteskind 2' van de afdeling 'Verdwijningen' komt een geschilderd plafond voor (zoals Gerrit Kouwenaar later ook over de verhouding tot de geliefde zou schrijven in termen van geschilderde kamers, in zijn bundel Totaal witte kamer).
Gedachte aan toekomstig zien verschafte macht.
Ik ensceneerde een herinnering, en verfde
het plafond: het eerste blauw dat het bekijken zou.
(p. 27)
In deze bundel staat ook het vier paginalange gedicht 'Het paard d'amour', monologue hippique', geschreven vanuit de visie van een paard. Een jaloers paard.
Normaal beklopt mevrouw als ik verstijf
heel zacht mijn hals. Zij kijkt om mij te volgen
met de ogen van een paard. Maar nu, nu
trok ze aan de teugels, dwingend, boos.
(p. 44)
Het paard neemt tegenmaatregelen:
Het beest gevoederd en gekamd. Ik trapte,
hard. Geen kik. Ze viel waar nu mijn hoeven
staan. Wat is het stil. Het is voorbij.
Ik kan weer denken wat ik denken wil.
(p. 44)
De bundel Na de nachttrein (1988) is een vervolg op de voorgaande bundel: de situaties zijn iets abstracter en de titels van de afdelingen geven al een denkrichting prijs. Er zijn drie afdelingen: 'Over de kunst van het schaduwen', 'Midden in mijn leven', 'Ikpersonen' en 'De fictie van rijm'. Pijn en dood, snijden, nagels en reizen, alsmede bisschoppen en kanunniken passeren de revue, net als vaders en figuren uit de oudheid. Het thema dichten en lezen is vooral in de eerste en de laatste afdeling aan de orde.
Mijn zin kijkt op, je ogen in.
Werd je de woorden die je leest.
De vinger langs je lip gestreken
ben je zelf. Hij slaat jou om.
(p. 15)
Sommige gedichten gaan over verlatenheid, andere over ziekenhuizen en pijn, zoals: 'Liedje voor de pijn'.
Zij zingt in zich zelf
van de pijn van vannacht
zo waaiend verwoestend
dat zij zich moest krimpen
tot iets van niks,tot pluisje
drijvend op die wind.
(p. 25)
Waarneming, waargenomen worden en vervreemding zijn opnieuw belangrijke thema's:
Hoe word ik gluurder, soeverein?
Door te duiken en jij kijkt?
Jij, om wie ik vrij, mijzelf, wil zijn?
(p. 52)
Deze gedachte van toeschouwers - de schijn van verdubbeling, het verlangen naar verdubbeling - kwam in de vorige bundel al naar voren in het gedicht 'Paard d'amour': het paard spiegelt zich in een plas. Het is een motief dat dichters vaak met vruchtbaarheid kunnen gebruiken (zoals bijvoorbeeld Gerrit Komrij en Pieter Boskma).
Ik kijk hoe je bijt in de zakkende zon,
horizon je lies doorsnijdt. Je schaduw
raakt mijn navel. Ik kan met mijn blik niet
om je heen en ik peins je nog naakter,
ik peins mij tot vreemdeling jou vattende
bij de heupen en jij daar ontzind sereen.
(p. 53)
De gluurder, of de ik-persoon als toeschouwer bij het vrijen, keert regelmatig terug in de amoureuze gedichten en dan gaat het niet over opwinding, maar om schaamte:
Ik draai een vreemde af. Die neemt
mijn schaamte waar en kijkt naar
hoe jij op hem zit. Jij veinst
extase, komt wie weet veinzend tot
extase, laat je vallen achterover
klaar, of quasi klaar, en ik val
samen met de vreemdeling.
(p. 61)
De schaamte om het 'obscene soevereine' (p. 62) wordt overwonnen door het besef dat deze intimiteit gedeeld wordt met zoveel vreemdelingen, die eigenlijk allemaal eender zijn:
allemaal dezelfde zijn, want ongemaakt -
voilà, aan niemand ben ik ongelijk,
want aangesloten op mijn elkerlijk.
(p. 61)
In Paviljoenen (1991) leren we Prepenelope kennen als moeder, voorloopster van Penelope, die verderop in de bundel vaak om de hoek kijkt. Uit het gedicht 'De intiemste zichtlijn' komt de titel voor Ottens keuze uit eigen werk die in 1994 zou verschijnen: 'Het was missen op het eerste gezicht'.
Ik wilde jou en dat ik missen zou
wist ik al voor het begonnen was.
Jou willen is je missen. Het was missen
op het eerste gezicht. Keek ik je aan
je werd een schaduw voor een vuur.
(p. 6)
De romantiek uit dit gedicht wordt zijn plaats gewezen in een gedicht 'namens de pappenheimers'.
wat moet ons ingeölied eiland met een vrouw
die wuivend stolt en ons vergeet, en alles
om haar heen wordt bruidegom, wordt voorhoofd
in haar schoot, kijk dan hoe de branding knielt
en armen om haar heupen slaat, wat moeten wij
met zo een koppig beeld van missen op
ons Ithaka waar missen niet kunnende kopen is?
(p. 7)
Voor geld is alle liefde te koop. Het gedicht heet niet voor niets 'Namens de pappenheimers'. Zij weten van wanten. In een andere gedicht wordt Penelope lieflijker beschreven.
Haar eiland is een samenstel van rondingen
en als een brein. De ellebogen van de duinen
en de knisperende accolades van het schuim
(p. 10)
Het gaat om het vervluchtigen van de tijd, van de herinneringen.
Er woei een wind ons toe
als waren wij de laagste druk.
De rouwers eerste rij
voelden in hun enkels kou.
Het rook naar weer
als bij een vreemdeling in bed
naar zaad.
Kom mee naar buiten allemaal,
ze gaan jou dragen uit de taal
(p. 27)
In 'Twee vierjarigen en god' vragen de twee spelende kinderen om een god die hun wereld buiten het spel om regeert en bestuurt. Die god blijft desondanks buiten spel staan:
zij lieten mij geen keus, ik werd
hun God, degeen die buiten staat
met adem in, die of een pink verroert
en pats, of als een schrijver overleest
wat hem geviel en staart want weet
mijn maaksel kom ik nooit meer in.
(p. 34)
- Lees verder over Willem Jan Otten: "Waar ik nog naar snak": 1994-2004
- Terug naar: Introductie