"Waar ik nog naar snak": 1994-2004


In Het was missen op het eerste gezicht (1994) is een selectie uit uit oudere bundels opgenomen, aangevuld met een aantal gedichten die vervolgens in de nieuwe dichtbundel Eindaugustuswind (1998) terecht kwamen. In die nieuwe bundel staat water centraal. Er zijn veel plassen, rivieren en bruggen, maar er zijn ook moeders, kinderen en afscheid, soms in christelijke context. Dat laatste is niet verwonderlijk, want Otten bekeerde zich in 1999 tot het rooms-katholieke geloof.

We waren achttien jaren samen.
Toch verroerde je geen rug
toen ik keek naar hoe je staarde
staande op de laatste brug.

(p. 33)

Het gedicht 'Het wak van Eden' (een woordspeling op de paradijselijke Hof van Eden) doet in de laatste regels denken aan de enigszins verheven stijl die Ida Gerhardt eigen was:

Denk ik het in dan denk ik mij in
dit wak totdat het zingen gaat van zonk,
het zingt zich naar mijn oor een wak
en wordt niet waar ik nog naar snak, maar
wat ik hoor, een stem, een klank, een klacht.

(p. 37)

Dit wordt vooral veroorzaakt door de assonerende o- en a-klanken. De fascinatie voor het ijs en het wak kwam al in eerdere bundels voor en ook in deze bundel treft de lezer deze motieven aan, zoals in het gedicht 'Schaatser':

Het wak werd wijder dan het water en hij wist er van,
het was zijn werk dat wij het ijs hem lieten dragen toen.

(p. 51)

Sterven wilde de schaatser. Dood en leven komen in deze bundel op verschillende punten samen in en rond het water. Zo is er een biezen mandje in de rivier, refererend aan het bijbelverhaal van Mozes, in 'Dezelfde zuidenwind'. Maar in elke rivier schuilt de Styx, verbinding tussen leven en dood.

Een rivier waaraan een biezen mandje
meegegeven wordt blijft de rivier
die, zelfs al is de baby nu profeet,
het biezen mandje zeewaarts draagt.

(p. 39)

Over het waken bij het graf, eveneens een bijbels motief, gaat 'Litanie van een wachter bij het graf':

Kan het bestaan, twee mannen vallend in één slaap?
Hoe dan ook, het graf dat wij moesten bewaken,
dat was 's morgens leeg. Terstond vertelde mijn collega
mij zijn droom, die van begin tot eind exact de mijne was.

(p. 66)

De afdeling 'Geknikte zinnen' bevat 6 gedichten. Het volgende citaat is afkomstig uit het tweede gedicht daarvan:

Hetgeen mij ingegeven wordt
in tweeën wil geknikt.

Uit de graven van het afgelopen jaar
moet iedereen nog opgestaan.

Geen mens zo vrij als ik, en wel
om ziel te zijn, wat hedenochtend zeggen wil

niet op te kijken van de aalscholverschaduwen
zoals die over de bladzijden gegleden kwamen.

(p. 76)

De regelmaat in de distichons (tweeregelige strofen) geeft een rustig leesbeeld. Daarnaast geeft het lange woord 'aalscholverschaduwen' een langzame glijbeweging weer door de opeenvolging van v- en w-klanken.

De 'vrijheid' in bovenstaand gedicht wordt nader uitgewerkt in het gedicht 'Het schandaal'.


De vrijheid waar ik in gelaten ben,
door wat, door wie, is ongekend.

Zelfs in de baars die buik naar boven
aangedreven kwam toen ik vandaag
uit schrijven ging kan ik desnoods
geen vingerwijzing zien, dat kan.

(p. 82)

De tekenen zijn er, kortom, maar mogen genegeerd worden. Maar in wezen blijven het aanwijzingen die als tekenen van geloof moeten worden opgevat, waarbij de vis uiteraard het symbool van Christus is, zoals ook in het erop volgende gedicht:

De baars die buik naar boven
roerloos vlokken bloedend
uit een handpalmgrote wond
pal onder de steiger dreef,
balde zich tot vis ineens,
tot een die wilde springen
naar het ongeneeslijk ijle licht -

(p. 83)

De bundel Op de hoge verscheen in 2003 en bevatte enerzijds gedichten over klassieke personages als Alexander de Grote en anderzijds eigentijdse gedichten over de vuurwerkramp in Enschede en het huwelijk van prins Willem Alexander met prinses Máxima. Het titelgedicht opent in de maand augustus, eind augustus. Wie overigens de verschillende titels van Ottens bundels op een rij zet, ziet er een duidelijk verband in. De gedichten van Otten vormen bij elkaar één doorlopende cyclus. Ook in deze bundel is weer veel water, spelen relaties tussen ouders en kinderen die het huis uitgaan een rol, wordt afscheid genomen en wordt geschreven over het wagen van een sprong: de sprong over de grens tussen oud en nieuw leven en zelfs tussen leven en dood. In de Poëziekrant van september/oktober 2003 verscheen een interview met Otten (door Remco Ekkers) waarin de dichter uitgebreid in ging op zijn bekering tot het katholicisme. Daarin gaf Otten aan dat hij verwijzingen naar de filosoof Kant en de dichter Leopold verwerkte in deze dichtbundel.

Liep augustus op zijn einde,
sloot de badmeester de hokjes af,
fietste neuriënd september in.

Niemand was er dan ook bij
dat ik de plank betrad. Ik was
geblinddoekt als een deserteur.

(p. 14)

De springer staat alleen - maar waarom is hij geblindoekt? door wie? en waarom hoort hij er niet bij? waarom noemt hij zich een deserteur?

Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
De aanstalten. Ik sta precies

zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
Dit is de toegedachte afstand tot
het lussenwevend water doopselzacht.

(p. 14)

Het lijkt erop dat de dichter zijn vroegere gedachten verlaat, dat de duik in het diepe, een duik in het geloof is. En dat geloof is niet alleen verlossend, het is tevens bedreigend, het doopsel vergelijkt hij met lussen waaraan iemand zich kan ophangen of die hem gevangen kunnen nemen. Hij voelt ook een grote afstand tussen zichzelf en andere dichters alsmede recensenten, wellicht omdat zij hem zijn bekering verwijten? De gelovige is een buitenstaander geworden.

Dat zo ik sprong - ik wil, ik wil -
ik vallen zou en niets mij ving?

(p. 15)

En bevangt hem de twijfel? - de angst dat het katholicisme toch niet brengt wat hij ervan verwacht?

Er bestonden neuriënde mensen. Ze waren niet te kennen
anders dan van zwaaien fietsend naar de Albert Heijn.

Ze weefden zwaaiende een kyrie dwars door de nieuwbouw
heen. Alleen wanneer ik neurie, wist ik, weef ik mee.

(p. 21)

Soms is er geen geneurie, dan geeft de mond andere geluiden af dan gepland. Bijvoorbeeld bij een voordracht als de toehoorders de gedichten zwaarwichtiger opvatten dan ze bedoeld zijn.

Het stille uit mijn mond het schrille werd,
het ware op mijn kansels steeds bezwaard met woord.

(p. 25)

In het gedicht 'Maria' wordt de geboorte van Christus veranderd in een alternatieve geboorte, waarbij het geloof als een kind uit de man wordt geboren, uitgeperst 'als een oude telefoon gehangen aan een draaierige draad'. Waarna de dichter de lof zingt van dit kind:

Hij was de sluis waardoor een oceaan kwam aangezet,
een eeuwig schuimend buitengaats dat door één lichaam
en één dood geschut moest worden naar het laagste land.

(p. 31)

Over het dilemma van de langstlevende geliefde gaat het gedicht 'Echtgenotenliedje': het besef dat van de twee er één als eerste zal sterven, zal verdwijnen 'in het donkere hotel'. Het is een liedje, dat onbezorgd begint:

De ene wil de ander
en de ander wil de een
en toch maakt van de ander
het eind niet mee de een.

(p. 42)

De ik-persoon verbeeldt zich alleen over te blijven, de ander te moeten begraven en zelfs te treuren bij het graf, maar ook te dromen dat de geliefde onaangetast uit het graf zal oprijzen om hem een onrustbarende boodschap te brengen:



          mijn afloop,
echtgenoot van mij,

was niet van jou,
vat moed en zeg me na,
we waren altijd vrij.

(p. 43)

Aan Alexander de Grote, de Griekse veldheer die op 32-jarige leeftijd in 324 voor Christus stierf in het verre Babylon, zijn de laatste gedichten in de bundel gewijd. Tot slot enkele regels uit 'Alexander en de eeuwigheid':

Er is geen richting, ook niet naar benee,
zo er geen tandeloze dichter is aan wie voorbij,
eeuwigheid is waar de overmeesteraar

onberaamd zijn vol verstand verliest,
een flits is het, en dan de stap opzij,
de Grote Wil zet al zijn legioenen stil

en veegt het weg, mijn kindse korstje kwijl.

(p. 70)