Leeuwarden
François HaverSchmidt werd op 14 februari 1835 in Leeuwarden geboren. HaverSchmidt had drie broers en drie zussen; hij was de op één na jongste. Vader Nicolaas Theodorus HaverSchmidt was apotheker en wijnhandelaar in Leeuwarden, moeder Geeske Bekius kwam uit een domineesfamilie. Grootvader François Bekius was een ouderwetse plattelandspredikant in Dantumawoude en het grote voorbeeld voor de kleine HaverSchmidt, die als kind al op een stoof stond te preken. De bewondering voor zijn opa was doorslaggevend bij zijn keus om zelf dominee te worden.
Opvallend is de schrijfwijze van de naam HaverSchmidt waarbij de letter s opzettelijk in kapitaal geschreven is. De reden hiervan is dat het eigenlijk twee afzonderlijke namen zijn. De overgrootvader van HaverSchmidt had als achternaam alleen Haver. De grootvader van HaverSchmidt werd opgevoed door een oom die Schmidt heette, uit dank voegde hij Schmidt achter Haver, zodoende ontstond de naam HaverSchmidt.
Al vroeg in zijn jeugd begon HaverSchmidt met schrijven. Het oudste gedicht dat van hem bewaard is gebleven dateert van 1848, HaverSchmidt was toen nog geen veertien jaar oud. Uit 1849 stamt ‘Barend Krul, grotesk-komisch gedicht’, dit gedicht is door Hans van Straten opgenomen in Nagelaten snikken (Paaltjens, 1961, p. 10-31). In 1850 schreef HaverSchmidt een verhaal met de titel ‘Leven en sterven van Jelle Gal’, hierin komt de kat Jelle op een afschuwelijke manier aan zijn eind. Dit verhaal is gepubliceerd in de bundel Winteravondvertellingen (HaverSchmidt, 1994a, p. 7-20). Dat HaverSchmidt tijdens zijn jonge jaren erg gelukkig geweest is kan worden opgemaakt uit zijn werk Familie en kennissen (1876) waarin verhalen over zijn jeugd zijn opgenomen. HaverSchmidt droeg de bundel op aan zijn ouders en schreef dat hij ‘een recht gelukkige jeugd’ heeft gehad. Meer van zijn jeugdwerk in handschrift is te vinden in de Collectie HaverSchmidt, onderdeel van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die is ondergebracht in de Leidse Universiteitsbibliotheek.
HaverSchmidt ging in Leeuwarden naar het gymnasium en in 1851 deed hij in Delft staatsexamen, het toelatingsexamen voor de universiteit. Zijn ouders vonden hem nog te jong om te gaan studeren, hij was toen pas zestien, en daarom bleef HaverSchmidt nog een jaar in Leeuwarden. In die tijd las hij veel, vooral werken van Heine, Goethe, Schiller, Hugo en Dickens. Ook hield hij veel redevoeringen in Leeuwarden bij de gymnasiastenvereniging Minerva Nos Jungit. Na dat jaar ging hij in Leiden theologie studeren (Mathijsen, 2003, p. 69-70).
De studentenjaren in Leiden
Tijdens de studentenjaren in Leiden woonde HaverSchmidt aan de Hogewoerd boven de doodbidder Van Ewijk. (Een doodbidder maakte aan buren en vrienden bekend dat iemand was gestorven.) HaverSchmidt was lid van de studentenvereniging Minerva, waarvan de sociëteit zich bevond aan de Breestraat. Hier klom hij in een vrolijke bui wel eens op de tafel om gedichten voor te dragen (Mathijsen, 2003, p. 73). Zijn beste vrienden in zijn studententijd waren Adriaan van Wessem, Willem van der Kaay, Jan Bouman en Eelco Verwijs.
Bij de eerste publicatie in de Studenten-almanak voor het jaar 1856 liet HaverSchmidt zijn medestudenten kennis maken met Piet Paaltjens in ‘Bloemlezing uit de dichterlijke nalatenschap van Piet Paaltjens’. In het ‘Voorberigt’, waarmee de bloemlezing begon, werd de nog onbekende dichter aan het publiek voorgesteld. Deze woonde, hoe toevallig, ook op de Hogewoerd boven een bidder. HaverSchmidt deed voorkomen of hij een ruime keuze kon maken uit het nagelaten werk van Paaltjens en dat hij daarvan slechts negen verzen heeft gepubliceerd (Almanak, 1856, p. 238-252). In de almanak van 1857 zijn het gedicht ‘Des zangers min’ en komische tekeningen gesigneerd met FH opgenomen.
Tijdens de studiejaren van HaverSchmidt gaven de hoogleraren J.H. Scholten en A. Kuenen colleges theologie in Leiden. Zij hingen het 'modernisme' aan waarbij zij de studenten leerden om kritisch naar de bijbel te kijken. Zij wilden het christelijk geloof in overeenstemming brengen met de moderne natuurwetenschappen. Daarbij was geen plaats meer voor wonderen, Jezus werd niet gezien als de Zoon van God en de bijbel niet als openbaring van God aan de mens: het eigen geweten was de richtlijn. Hierdoor bestond godsdienst vooral uit 'oefening en onderzoek van het eigen geweten' (Jensma, 1997, p. 13). Zo werd HaverSchmidt opgeleid tot een moderne predikant in plaats van'een ouderwetse herder over een plattelandsgemeente' (Jensma, 1997, p. 20). Het was in deze tijd dat hij zijn kinderlijk geloof begon te verliezen. Uit al zijn latere preken blijkt dat hij veel twijfel kende en later zelfs een periode in een geloofscrisis verkeerde.
Op 4 juli 1858 nam HaverSchmidt afscheid van Leiden omdat hij klaar was met zijn studie. Hij vertrok naar Leeuwarden en trok daar tijdelijk in bij zijn zus Adriana. In oktober legde hij zijn kerkelijk examen af, vanaf dat moment kon hij worden beroepen als dominee. HaverSchmidt heeft zijn studententijd in Leiden nooit kunnen vergeten. In een brief aan een van zijn studievrienden, Van der Kaay, sprak hij over deze tijd met de woorden: ‘Tóen was ik waarlijk gelukkig’. En aan zijn vriend Van Wessem schreef hij over zijn laatste avond in Leiden:
Ik gevoelde mij zoo diep ongelukkig, dat het waarachtig was of mij het bonzend hart zou barsten in den boezem. Ik bad om tranen en kon niet weenen. Zie, ik had mij zoo gansch en al met ziel en lichaam verpand en verkocht en overgegeven aan het studentenleven en bovenal aan de vrienden, die ik onder de studenten had gevonden, dat het voor mij was alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijn wereld. Goddank dat die ure voorbij is!
(Dyserinck, 1908, p. 52)
In 1859 leverde HaverSchmidt nog eenmaal een bijdrage aan de Leidse Studenten-almanak. Met het gedicht ‘De drie studentjes’ zei hij Leiden voor de laatste maal vaarwel (Almanak, 1859, p. 241-250).
Foudgum
HaverSchmidt werd in juli 1859 predikant in Foudgum en Raard, vlakbij Dokkum. In deze kleine gemeenschap 'van nog lang geen honderdvijftig zielen' (Nieuwenhuys, 1994, p. 68) voelde HaverSchmidt zich niet op zijn plaats. Het verschil met Leiden was te groot. Hij woonde helemaal alleen in de pastorie en voelde zich eenzaam. Op de bruiloft van zijn vriend Adriaan van Wessem leerde hij zijn toekomstige vrouw Jacoba ‘Koos’ Osti (2 april 1841) kennen en in 1862 verloofde hij zich met haar. In het najaar van 1862 vertrok HaverSchmidt naar Den Helder.
Den Helder
In Den Helder was HaverSchmidt slechts anderhalf jaar predikant, van december 1862 tot juli 1864. Zes maanden na zijn aanstelling vroeg hij al zijn ontslag aan omdat hij dacht niet te kunnen voldoen aan de eisen van Den Helder. Zijn medepredikanten konden hem ervan overtuigen dat hij zichzelf te laag inschatte, tot na de dood van HaverSchmidt bleef dit voorval geheim. Toch verliet hij nauwelijks een jaar later Den Helder omdat de werkdruk hem te hoog was, zowel geestelijk als lichamelijk. Tijdens zijn predikantschap in Den Helder trad hij in het huwelijk met Jacoba Osti op 6 augustus 1863. Zij was een evenwichtige vrouw van wie HaverSchmidt veel steun ondervond.
Schiedam
Van augustus 1864 tot zijn dood op 19 januari 1894 was HaverSchmidt predikant in Schiedam. Voor het beroep naar Schiedam had waarschijnlijk een van HaverSchmidts vrienden, F.C.A. Pantekoek, bemiddeld. Zij kenden elkaar al van het gymnasium in Leeuwarden en hadden beiden in Leiden theologie gestudeerd. Pantekoek was in Schiedam zeer populair bij de kerkgangers en trok volle kerken. HaverSchmidt heeft hem daarin nooit kunnen evenaren.
In september 1865 schreef HaverSchmidt een gedichtje voor ‘één van zijn beste vriendinnen’ :
Dit heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger;
Maar sinds het die witte das omheeft,
Minnedicht het niet langer.
Nu preekt het en doet huisbezoek,
En voor de variatie,
Houdt het ’s winters, driemaal in de week,
Lidmatencatechesatie.
Ik bezweer u, mijn allerliefste vriendin,
Den draak hier niet mee te steken,
Er zit wezenlijk iets zoo aandoenlijks in,
Dat een hart er wel van mogt breken.
(HaverSchmidt, 1994, p. 115)
HaverSchmidt had de minnedichter en student Piet Paaltjens vaarwel gezegd en was een serieuze dominee geworden. In zijn werk als schrijver was hij veranderd in een echte domineedichter waarbij hij voordrachten hield, gelegenheidsverzen maakte en stukken voor almanakken en tijdschriften schreef (Mathijsen, 2003, p. 79).
Zijn drie kinderen werden in Schiedam geboren: Margot (1864), Nico (1866) en François (1869). Op 29 juli 1868 overleed Nico, hij was nog geen twee jaar oud geworden en deze gebeurtenis greep HaverSchmidt erg aan. In de voordracht ‘De geschiedenis van den kleinen Bob’ bracht hij zijn gevoelens over het verlies van Nico onder woorden. Deze voordracht is in 1983 voor het eerst gepubliceerd in Met gedempte stem, samengesteld door Rob Nieuwenhuys (HaverSchmidt, 1983, p. 43-49).
HaverSchmidt was een kwetsbaar, gevoelig mens, had aanleg voor zwaarmoedigheid en was geobsedeerd door de dood. In zijn preken kwam regelmatig het onderwerp 'zelfmoord' aan de orde, HaverSchmidt stelde zich de dood voor als een 'worgengel'. Maar toch kon HaverSchmidt ook heel vrolijk en geestig zijn.
In de jaren 1870 en 1871 had hij gedurende zeven maanden een depressie en kon niet werken. Om te herstellen bracht hij samen met zijn gezin de zomer door in Beekhuizen.
De depressies bleven terugkomen en rond 1890 kreeg hij er steeds vaker last van. Vooral na het overlijden van zijn vrouw in juni 1891 ging het niet goed met HaverSchmidt. Vanaf de zomer van 1893 leed hij aan een depressie. Op 19 januari 1894 gaf hij de strijd met de worgengel op, hij hing zichzelf op aan het gordijnkoord van de bedstee.
- Terug naar: Introductie