Parodie in 'De bleeke jongeling' 
HaverSchmidt gebruikte in zijn poëzie regelmatig de parodie om een komisch effect te bereiken. Marita Mathijsen noemt daarbij als voorbeeld het gedicht 'De bleeke jongeling'. Dit is een parodie op een gedicht van Jan van Beers, 'De zieke jongeling'. Wat betreft de inhoud zijn de twee gedichten wel verschillend. De overeenkomst is volgens Mathijsen te vinden in de thematiek: het ongeziene lijden. In Van Beers' gedicht sterft een jongen aan de tering. Terwijl hij op zijn ziekbed ligt ziet hij buiten zijn geliefde op de kermis met een andere jongen dansen. De dag erna is hij dood. In Paaltjens' 'De bleeke jongeling' sterft een jongen aan een gebroken hart:

Opgehouden heeft te koken
's Jongelings bloed. - Zijn harte was gebroken.
(Mathijsen, 2003, p. 13)

Mathijsen ziet ook verwantschap tussen de twee gedichten in de natuurbeschrijvingen van beide dichters (Mathijsen, 2003, p. 95). Een strofe uit het gedicht 'De zieke jongeling' van Van Beers:   

En 't was avond; - kalm en statig
Rees de maan aen d'oostertrans,
Heel het dorpken zacht-omhullend
Met heur zilvren tooverglans.

Deze strofe vertoont grote overeenkomst met de eerste strofe uit Paaltjens gedicht 'De bleeke jongeling':

't Avondt. Aan den westertrans
Zinkt, in goud gehuld en glans,
Statig 't zonnelicht ter neer
In den schoot van 't wieglend meer
(Mathijsen, 2003, p. 96)

Parodie in 'Liefdewraak'
Paaltjens' gedicht 'Liefdewraak' is een parodie op 'Jenny' van de dichter J.L. van der Vliet. Beide gedichten gaan over onbeantwoorde liefde. HaverSchmidt begint zijn gedicht met een strofe die hij bijna letterlijk uit Van Vliets gedicht overneemt. Van Vliet dicht:

Ha! weet ge 't niet wat kanker woedt
In 't eens miskende hart,
Als liefde 't vuur der wraak ontsteekt!
En misdaad groeit uit smart? 
(Mathijsen, 2003, p. 96) 

Bij Van Vliet wordt een wrede, hartenbrekende jonkvrouw vermoord door een aanbidder. Zij ligt in het bos dood in de sneeuw. Paaltjens laat zijn afgewezen minnaar als volgt wraak nemen op zijn geliefde:

En vol van wraak buigt hij zich neer,
Pakt fluks een sneeuwbal saâm
En werpt hem, paarsch van nijdigheid,
Bij 't liefje door het raam
(Mathijsen, 2003, p. 41)

Het verschil in heftigheid van de wraakactie heeft een komische werking.

Parodie in 'Des zangers min'
In Paaltjens' 'Des zangers min' wordt het lied 'Mignon' uit Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795-1796) van Goethe geparodieerd:

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht.
Kennst du es wohl?
        Dahin! Dahin
Möcht' ich mit dir, o mein Geliebter, ziehn!

Kennst du das Haus, auf Säulen ruht sein Dach,
Es glänzt der Saal, es schimmert das Gemach,
Und Marmorbilder stehn und sehn mich an:
Was hat man dir, du armes Kind getan?
Kennst du es wohl?
        Dahin! Dahin
Möcht' ich mit dir, o mein Beschützer, ziehn!
(Goethe, 1949, p. 155)

Mignon heeft heimwee naar haar vaderland Italië. Paaltjens maakt van 'Mignon' een 'platte versie'. Daarin bezingt hij het kleiaardappelland en een huisje op palen in Friesland, waar je lekker gebak kan krijgen. (Mathijsen, 2003, p. 97): 

"Kent gij het land," zoo zingt hij, "waar
De kleiaardappel groeit?
Waar trouw aan vorst en mannenwoord
En waar de veeteelt bloeit?

Kent gij het land, waar MINA toeft?
Kent gij het wel? Daarheen!
Daarheen richtte ik zoo eeuwig graag,
Geliefde, 't linkerbeen!

Kent gij het huisje?" zingt hij weer,
"Op palen rust zijn dak,
En Friesche schoonen bieden u
Een smakelijk gebak,

En zien u aan, en vragen u
Een glaasje pons. Daarheen!
Daarheen richtte ik zoo eeuwig graag,
Geliefde, 't rechterbeen!" enz. 
(Mathijsen, 2003, p.45)

Parodie op Heine 
In de poëzie van Paaltjens zijn ook sporen van de romantische ironie van de Duitse dichter Heinrich Heine terug te vinden. Ook Heine wordt geparodieerd door Paaltjens. Jongejan noemt in zijn boek De humor - "Cultus" der Romantiek in Nederland een strofe uit Heines gedicht 'Angelique':

Die Eichen sind grün, und blau sind die Augen
Der deutschen Frauen; sie schmachten gelinde
Und seufzen von Liebe, Hoffnung und Glauben; -
Ich kann's nicht vertragen - es hat seine Gründe.
(Heine, 1979, p. 34)

En vergelijkt deze met een strofe uit 'Aan Rika' van Paaltjens:

Waarom heb gij van dat blonde haar,
Daar de engelen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!
(Jongejan, 1933, p. 538)

Paaltjens heeft ook zijn eigen Weltschmerz en wereldverachting bespot in 'waarschijnlijk directe parodieën op Byron's en Heine's verzen' (Jongejan, 1933, p. 537). Als voorbeeld noemt Jongejan hiervan het slot van 'Immortelle C' dat zowel Heiniaans, als door overdrijving parodistisch is:

Verveeld heeft mij eindlijk dat haten,
Dat eeuwig gezang en geween,
Ik zweeg, en zooals ik nu zwijg,
Zoo zweeg er op aarde nooit een.
(Jongejan, 1933, p. 538)