Dichten onder pseudoniem
HaverSchmidt koos ervoor om zijn poëzie te publiceren onder het pseudoniem Piet Paaltjens. Het hoe en waarom van zijn keuze voor deze naam heeft hij zelf nooit verteld. Dyserinck gaf in zijn biografische schets wel een verklaring: HaverSchmidt was met een groep studenten in een Haarlems koffiehuis. Daar ontmoette hij iemand die waarschijnlijk niet veel met studenten op had. Op de vraag van HaverSchmidt naar zijn naam, antwoordde de man: 'Piet Paaltjens'. Het was iedereen duidelijk dat het een verzonnen naam was. Dyserinck beweert dat het zo'n indruk heeft gemaakt op HaverSchmidt dat hij de naam onthouden heeft en als aanduiding voor zijn alter ego heeft gebruikt (Mathijsen, 2003, p. 91).

Paaltjens en HaverSchmidt
In de 'Levensschets' werd Piet Paaltjens als medestudent van HaverSchmidt geïntroduceerd. De overeenkomsten tussen Paaltjens en HaverSchmidt waren opvallend: beiden kwamen uit Friesland, studeerden in Leiden en woonden boven een bidder. Nieuwenhuys formuleert het als volgt: 'Paaltjens is HaverSchmidts tweelingbroeder die op hem lijkt zoals een karikatuur sprekend kan lijken - zonder dat hij het is'. Paaltjens is het deel van HaverSchmidt dat in overdreven vorm de melancholie weergeeft: de jongeling gekweld door Weltschmerz. Voor HaverSchmidt was de overdrijving een vorm waarmee hij de betrekkelijkheid van zijn eigen angst, smart en wanhoop kon zien, aldus Nieuwenhuys (Nieuwenhuys, 1994, p. 12).

Om de echtheid van Paaltjens' bestaan te suggereren dateerde HaverSchmidt de gedichten van Paaltjens eerder dan zij daadwerkelijk geschreven waren. Daarmee wilde hij aangeven dat hijzelf de gedichten niet schreef en Paaltjens niet was. Volgens Mathijsen wilde hij daarmee de afstand tussen hem en zijn alter ego vergroten (Mathijsen, 1981, p. 19). Ook liet HaverSchmidt in de tweede druk van Snikken en grimlachjes het voorwoord door Piet Paaltjens verzorgen. Hierin vertelde Paaltjens de lezer dat hij 'reeds gelukkig man en vader' is. Ook 'zingt hij nog steeds, maar geen sombere, bittere liedren meer' (Paaltjens, 1878, p. xv-xvi).

Van Vloten's bloemlezing Dicht en ondicht der negentiende eeuw uit 1862 bevatte heugelijk nieuws: Piet Paaltjens was gesignaleerd op het strand bij Holwerd, 'op de uiterste punt van een ver in zee uitstekend hoofd.' HaverSchmidt herkende hem: 'Hij was het zelf, de verdwenen, maar onsterfelijke Piet Paaltjens.' HaverSchmidt ging hem achterna, maar: 'Te laat. Toen ik het paalwerk bereikte, was Paaltjens reeds in een boot gedaald en gleed weg in de richting van Schiermonnikoog' (Van Vloten, 1862, p. 623-624).  

Afscheid van Piet Paaltjens
HaverSchmidt voerde het bestaan van Paaltjens ver door. Hij stelde een eigen handgeschreven bloemlezing samen en noemde deze Verspreide poëzie. Hierin nam hij gedichten op van Beets, Hofdijk, Tollens, Ter Haar en anderen. Opmerkelijk is dat hij tussen de gedichten verschillende Paaltjens-gedichten plaatste, alsof hij zelf tot de groep dichters behoorde. Voor deze bloemlezing ontwierp hij zelfs een titelblad, compleet met vignet en het volgende rijm:

Zietdaar dan alles bij mekaêr
Wat in den tijd van drie à vier jaar
De droeve zanger heeft gezongen.
Bewaart het trouw en bepeinst het goed,
Want in lang is er niet zulk zuiver bloed
Uit een brekend dichterhart gesprongen.
Bepeinst het goed en vergeet het niet,
Want verstomd is van nu af Piet Paaltjens' lied.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 13)

En in september 1865 schreef HaverSchmidt het veelbetekenende gedichtje:

Dit heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger;
Maar sinds het die witte das omheeft,
Minnedicht het niet langer.
(HaverSchmidt, 1993, p. 115)

Daarna schreef HaverSchmidt op 4 december 1870 als Piet Paaltjens nog een brief aan zichzelf. Hij verdraaide zijn handschrift in dat van Paaltjens en vertelde:

Ik leef nog altijd op kamers; nu bij een doodkistenmaker; 's morgens ontwaak ik onder het tikken bij het bekleden der doodkisten. Ik slaap in een doodkist o zo heerlijk. In één woord ik ben thans in mijn element en verlang dan ook niet langer naar het einde.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 130-131)

Hierna was Paaltjens onvindbaar en keerde niet weer. HaverSchmidt schreef een gedichtje in het album van een jong meisje dat helemaal weg was van Piet Paaltjens:

Piet Paaltjens, de bleke poëet van weleer,
Die snikt en grimlacht al lang niet meer.
Meer verrukt u het schrift van zijn vriend HaverSchmidt,
Zo neem het, mejuffrouw, voor lief dan met dit.
(Nieuwenhuys, 1994, p. 14)

Duel Paaltjens en HaverSchmidt?
In de 'Levensschets' voerde HaverSchmidt zichzelf op als bezorger van de studentenpoëzie van Piet Paaltjens. Dit wekte de suggestie dat HaverSchmidt en Paaltjens twee personen waren. Kees Fens betoogt in zijn artikel 'De dominee achter de dichter' dat beiden, zowel HaverSchmidt als Paaltjens, in de poëzie aanwezig zijn. Daarbij maakt Fens een onderscheid in wat hij 'grondtoon' en 'tegentoon' noemt. Met de 'grondtoon' bedoelt Fens de verwoording door HaverSchmidt, op een vrij traditionele manier, met zware melancholie, gevoeligheid en dichterlijkheid. Fens stelt dat Paaltjens daarbij zorgt voor een 'tegentoon', vaak door zakelijk taalgebruik, waardoor de zwaar aangezette gevoelens als het ware geneutraliseerd worden. Fens ziet dit als een duel tussen HaverSchmidt en Paaltjens. Als voorbeeld geeft hij de eerste strofe van 'Des zangers min', waar grondtoon en tegentoon ieder twee regels krijgen (Fens, 1966, p. 111):

De morgendamp hangt over 't veld,
En kleurt den herfstdraad wit.
Voor 't venster op de Hoogewoerd
Een minnedichter zit.


(Mathijsen, 2003, p. 42) 

Poëzie en proza
Was de poëzie van Paaltjens alleen bedoeld voor zijn Leidse medestudenten, het proza van HaverSchmidt was voor een breder publiek bestemd. Van zijn proza, dat uit verhalen bestaat, is slechts een klein deel tijdens zijn leven gepubliceerd. In 1876 verscheen bij uitgeverij Roelants in Schiedam de enige verhalenbundel van HaverSchmidt, Familie en kennissen. In 1881 verscheen een tweede, uitgebreide druk. De derde druk was in voorbereiding toen HaverSchmidt overleed.

HaverSchmidt liet het publiek kennismaken met het proza in zijn voordrachten. In Schiedam en Vlaardingen begon hij met voorleesavonden. Later kreeg hij daarmee landelijke bekendheid en hoorde hij bij de bestbetaalde sprekers uit zijn tijd. Soms trad hij in de winter wel meer dan zestien keer op. HaverSchmidt gebruikte, ook in de voordrachten, de persoon van Piet Paaltjens. Regelmatig voerde hij ook een andere dubbelganger van zichzelf op: Mr. Franciscus Haas. Deze rechter uit de provincie verzon onderwerpen voor de spreekbeurten van HaverSchmidt (Mathijsen, 2003, p. 81-82). In de bundel Winteravondvertellingen (1994) hebben Marita Mathijsen en Dik Zweekhorst de niet-gepubliceerde verhalen van HaverSchmidt bijeengebracht en van een nawoord voorzien.