1: "Genoeg gedicht"

In 1997 trad Hagar Peeters op tijdens het Double Talk-festival. Vervolgens werd zij uitgenodigd voor alle belangrijke poëzie-evenementen voordat zij in 1999 debuteerde met de bundel Genoeg gedicht over de liefde vandaag. De lezer staat het vrij alles in haar gedichten op zichzelf te betrekken, alsof de pagina een spiegel is. Zo kan de lezer het eerste gedicht uit de bundel lezen als: ja, lezer, je mag meelopen, 'all the way':

Ja hoor. Je mag meelopen tot het stoplicht,
of tot de eerstvolgende tunnel.
Tot de derde straat rechts,
tot de ingang van het park.
Tot bij het ziekenhuis, tot voorbij
het ziekenhuis, tot aan mijn huisdeur.

Daarna mag je de hele nacht in haar huis doorbrengen, maar dan volgt een reeks paradoxen:

Tot na het ontwaken maar voor het ontbijt,
tot na het ontbijt maar voor de lunch,
tot na de lunch maar voor het avondeten
mag je meelopen.
(p. 7)

Twijfel en uitstel worden zo belofte en overgave en andersom. In een ander gedicht ('Koorddansen') wordt de zoektocht naar liefde en een verbintenis genoemd en is over nabijheid en spiegeling nagedacht:

Altijd op zoek naar een navelstreng
nu de eerste niet langer bestaat,
balanceer ik op de ragdunne draad
van blik tot blik, tot het ogenblik
dat ik opnieuw jij
en jij ik.

Die verbinding volbrengt iets bijzonders:

Geen afstand meer. In dit verband
past het heelal met gemak
in één hand.


De lieve woordjes vliegen over en weer en worden als snoepjes voor later bewaard:

Wanneer het strakgespannen snoer
halverwege de acrobatentoer
ombuigt tot valstrik,
val ik.
(p. 10)

Het achteloze rijm van Peeters 'nu eens niet, dan weer wel'  wordt in deze laatste strofe net zo strak aangespannen als de valstrik van een vaste relatie. Hagar Peeters springt met zulke gevoelens laconiek om. Ook nemen haar gedichten soms satirische vormen aan, zoals de 'Babyboom boogie', over de oude Maagdenhuisbezetter die nu het fitnesscentrum blijkt te bezetten:

in de strijd tegen visuele
verontreiniging door tijd

Nu zit hij zelf op het pluche waarvan hij eens een oudere generatie verjaagde:

Daar stippelt hij,
met piercings volgehangen,
in de wandelgangen
door kennisjes van destijds
getipt als manager
bij de overheid, tippelzone
en gedoogbeleid.
(p. 9)

En met die beeldspraak wordt de hoerigheid van de voormalige rebel gesuggereerd. Een thema als dementie wordt met meer consideratie beschouwd:

Ze is verschrompeld tot bezoekuur;
op de tijden dat het haar geliefden schikt
schrikken haar vissenogen even wakker

(p. 11)

Er staan gedichten in deze bundel die uit het leesonderwijs lijken te komen:

Kraai op boom
zwart tegen groen
snavel op hout
veer en blad
poot op tak
(p. 12)

Het is soms een kinderlijke, sprookjeswereld die Peeters opvoert, zoals in 'De hoed':

De hoed heeft brede randen
die als uitgangspunt dienen
om de gedachten tegen te houden
opdat zij niet vervliegen
(p. 13)

Tongzoenen wordt vergeleken met jongleren en met vissen:

Want is zoenen zoveel anders, afgezien
van het vernis van romantiek? De mens
heeft belangrijke zaken aan het hoofd,
verweer ik mij in weerwil van
in zuignappen veranderde monden,
rondtollende oogbollen in van
gedachten ontdane hoofden
(p. 14)

De vergankelijkheid wordt vergeleken met het stof op de meubels en voor dat dode stof wordt een speelse naam bedacht:

het stof, pakmedannetje in het licht

en met kracht herhaalt Peeters dat niemand aan de dood kan ontsnappen, ook de rijken niet, ook hele beschavingen niet, ze vallen steeds

in handen van diezelfde hen barende aarde.
Altijd vielen ze op hun knieën
voor die eeuwigdurende tijdelijkheid
(p. 17)

Andere gedichten houden het luchtig en behandelen de aanhef boven een brief ('Beste mijn dit, beste mijn dat'):

Beantwoord mijn aanhef.
Maak hem waar op zijn minst.
(p. 19)

Ook een vreemd onderwerp als het knippen van baarden komt aan de orde en er is ook een recept voor geluk:


Hoop al je geluk op
tot één grote hoop
onontwarbaar stuk

(p. 22)

Maar resultaat is er niet: behalve het besef van duisternis in het heelal, een lege hemel en eenzaamheid. Dat wordt ook gedemonstreerd in een lang gedicht vol uitvluchten en excuses, allemaal bedacht door degene die voor niets staat te wachten op een afspraak:

Hij is niet op komen dagen.
Misschien werd hij ziek of liep hij
onder de tram

(p. 26)

En heel misschien (maar dan zijn er zoveel andere redenen genoemd, dat het onwaarschijnlijk is geworden): misschien 'houdt hij niet langer van mij'. Het geluk is niet voor iedereen weggelegd, hoewel Peeters schrijft:

Geluk is een menselijke nood
(p. 30)

Maar de natuur bekommert zich er niet om en in de slotregels wordt geconstateerd dat alleen 'ik en jij' niet weten wat ze 'met onszelf moeten beginnen', een verwijzing naar het oudste Nederlandse 'gedicht' uit een handschrift in Oxford.

Je bewoont al jaren
alle kamers in mijn hoofd.
Het lukt maar niet
je te verdrijven.

(p. 33)

De liefde is ook het onderwerp van het bekende titelgedicht van deze bundel:

Genoeg gedicht over de liefde vandaag
want al schrijvend heb ik de liefde niet bedreven.
Het leven laat zich maar al te graag
liever beschrijven dan beleven.


en de woorden van het gedicht zijn dan misschien niet helemaal trouw aan de dichter, maar zij staat ze toe uit te vliegen:

maar ga niet met de verkeerde mannen mee naar huis
(p. 34)

Aan het slot van de bundel staan ook nog een paar gedichten over de dood, zoals 'De laatste daad':

Geboren is wat wij worden
maar dood worden wij niet

Dood is wat wij gaan.
Sterven wat wij doen.

Doodgaan is de allerlaatste
daad dan maar verrichten.

(p. 36)