2: "Koffers zeelucht"
In 2003 verscheen de tweede dichtbundel van Hagar Peeters: Koffers zeelucht. In het eerste deel schrijft Peeters over ouders en scheiding, zoals in het gedicht 'De grote trek':
Ik zag de overburen op een ochtend
hun koffers zeelucht pakken.
Het eindigt als volgt:
Op de kust, zei mijn moeder later, zijn ook zij uiteengeslagen.
Wel bleven ze er wonen, nog een tijdje,
in lichte bunkers met open ramen.
(p. 14)
Een aantal gedichten over liefdesrelaties zoals de lofzang op het lichaam in het gedicht 'Je lichaam':
Je lichaam ja je lichaam
je behaarde onbeschaamde lichaam
je zinderend witte lichaam
je languit liggende lichaam
(p. 25)
En zo gaat dit gedicht nog vier strofen verder, een echt retorisch gedicht, zeer geschikt om voor te lezen dan ook. In 'Avond' gaat het om een liefdesrelatie:
Wij dronken beiden uit jouw mond.
Je leunde zwaarder aan mijn zij,
adem in mijn oor,
je likte onze lippen af waarmee we
dronken
(p. 40)
Als een parodie op 'The lady sings the blues' schreef Hagar Peeters 'De dame vloert de blues':
In Chicago in de bar met blues
Zingt een vrouw de longen uit haar bloes
(p. 54)
Het eindigt met de regels:
En alles deint en deint de wereld deint
in één adem op vlees, vet en botten
dat haar lief de klootzak is vertrokken
ontlokt aan haar een lokroep tot in onze strotten.
(p. 55)
Als een matrjosjka, die Russische pop waarin een tweede pop is verborgen die op zijn beurt ook weer een poppetje bevat, zo wordt in dit gedicht de aarde die in 'een aan de tijd ontstolen seconde cirkelde in de hemelen' uit een ei geboren, terwijl de protagonist denkt: 'ben ik welbesteed?'
Vandaag nog moet het gebeuren
ook de aarde is uit een ei gekomen
en uit de aarde komt opnieuw een ei
tot in het oneindige
(p.61)
Er is een grote diversiteit van onderwerpen die Peeters aansnijdt en een grote variatie in stijl. Ze schrijft over de muze, over de mens, maar ook over de verzekeringsarts, de schone slaapster en over oude vrouwen bij de kapper zoals in het gedicht 'In de salon':
Dames bladeren achterklap op bankjes langs de wanden.
Hun hoofden dragen huizenhoge katrollen.
Hetzelfde been hebben ze over het andere geslagen.
Zij lijken identiek, maar vergis u niet.
(p. 62)
Het is een lang gedicht, dat eindigt met de regels:
Een bezem veegt ze samen op één grote hoop,
al die stille getuigen van de levensloop,
en het gekortwiekt bestaan dat hen was beschoren.
(p. 63)
Peeters staat met beide benen op de grond en in het heden. Dat blijkt onder andere uit: 'Lamento van hen die luisteren naar oorlogsberichten':
Op zoek naar het glas ging je mond.
De schakelaar dempte de radiostem.
De doden dreven weg in de cola en
er werd verkracht. Wij hadden lief.
Alsof dat kon.
(p. 72)
- Terug naar Introductie