3: "Loper van licht"


In oktober 2008 bracht Hagar Peeters de bundel Loper van licht uit. In deze bundel slaat ze een geheel andere toon aan dan in haar andere werk. Loper van licht is een bundel vol engagement en een uitgewerkt, bijbels thema. De ik-figuur heet, evenals Peeters, Hagar. Deze Hagar komt echter uit bijbelse tijden.  Ze was, volgens het verhaal in het Oude Testament,  een slavin van Sara. Sara, die meende dat ze onvruchtbaar was, spoorde haar man Abraham aan om een verhouding aan te gaan met Hagar, zodat deze zwanger kon worden. Toen Hagar inderdaad zwanger bleek te zijn, werd Sara echter jaloers op haar en besloot haar te verbannen naar de woestijn. In het openingsgedicht van Loper van licht treffen we Hagar dan ook in de woestijn aan:

Te brutaal bevonden ben ik
een eeuwigheid geleden
verbannen naar de woestijn
(p. 5)

Maar het gedicht blijkt meer dan alleen het bijbelse verhaal te vertellen. Vrijwel meteen brengt Peeters de naam Hagar in verband met de moderne tijd door te verwijzen naar een schilderij van Picasso:

- zie je dat Arabisch ros
dat paard van ijzerdraad
die loeiende Guernica?
Dat ben ik.

Hagar zou eigenlijk iedereen kunnen zijn: 

Hagar is mijn naam
die voor vluchteling of vreemdeling staat
al is het nooit zeker hoe ik heet.
(p. 8)

De bijbelse vertelling loopt als een rode draad door de bundel heen. Peeters brengt het verhaal van Hagar in meerdere gedichten die één verhaal lijken vertellen. De gedichten sluiten echter niet allemaal op elkaar aan, maar worden geregeld onderbroken door verzen over andere onderwerpen. 

 Het gedicht 'De uitwijzing' gaat over de tweede verbanning van Hagar, die in eerste instantie met de hulp van God weer toegelaten werd door Sara. Als Hagar bevalt van haar kind Ismaël, blijkt Sara dit toch niet te kunnen verdragen:

Ze wezen me uit met de beste intenties,
beweerden: met goddelijk goedvinden
plantten wij jou hier in ons huis.
Je bevalling was aanleiding
tot zoveel jaarlijksheid erna
maar nog geen reden
tot je toelating in ons diepst bestaan
(p. 7)  

Peeters heeft ook gedichten over asielzoekers in de bundel opgenomen, waardoor het verhaal van Hagar een allegorische betekenis krijgt. Net als Hagar zijn vluchtelingen immers ook ballingen die geen plek hebben in hun land van herkomst. Vaak hebben ze echter ook geen plek in het land waar ze asiel zoeken, zo dicht Peeters:

Het huis van de uitgewezene
is een huis met deuren
die naar beide kanten open en dicht gaan
zodat aankomst en vertrek
in één vloeiende beweging worden voltrokken
als bij een draaideur
in het midden waarvan de uitgewezene
op insluiting wacht
(p. 23)

In een ander gedicht geeft Peeters een 'Vrijblijvend advies'  aan asielzoekers, dat echter tussen de andere gedichten een wat spottende toon krijgt. Peeters lijkt hier de draak te steken met de inburgeringscursussen waar veel asielzoekers mee te maken krijgen:

Blijf in de ogen van de persoon tegenover je kijken.
Vermijd staren door zo nu en dan te knikken
(volg de beweging van de kin).
(p. 28)

Peeters beschrijft ook de transportmiddelen die een eemaal uitgewezen asielzoeker tot zijn beschikking heeft. De vervoersmiddelen zijn echter zo verschillend dat het de vraag is vanwaar de uitgewezene vertrekt: het land waaruit hij is gevlucht of het land waar hij asiel heeft aangevraagd:

De benenwagen op sandalen van autobanden
het ijzeren paard, de gouden koets
de zilveren regenboogvogel, de bronzen stoomlocomotief
die uitgeslagen van achterhaaldheid
in het landschap schuilgaat.
(p. 29)

De bundel eindigt met drie lange, geëngageerde gedichten. In 'Jeremiade voor het avondland' houdt Peeters een soort klaagzang over Europa, dat ze beschrijft als een door en door verroest instituut:

Nu beklaagt men jou na al die jaren
als roestte het ijzer van de hekken om je grenzen
als dat van de sloten tussen je grote mogendheden
van de scharnieren tussen je werelddelen
(p. 34)

Het ooit zo moderne Europa is compleet vastgeroest, is haast vergane glorie:

Zoals de stations, rails, treinen, wereldtentoonstellingen en de Eiffeltoren
omdat er roest sloeg in het ijzer van je moderniteit
het harnas van je ontzagwekkende gebouwen. 
(de opmaak in de bundel is anders)

En de kerk blijft star vasthouden aan tradities, maar speelt niet langer de hoofdrol in het Europa van nu:

Onbeweeglijk onder de  wurggreep van de winden
die om de torenspitsen van de godshuizen razen
met een geweld als werd Gods toorn zelf hier gemanifesteerd
laten de kerkvaantjes het langs zich heen gaan.

De invloed van het oude Europa heeft afgedaan, maar dat betekent niet dat er geen oplossing is. Uiteindelijk is het de mens, die veerkrachtig genoeg is om alle veranderingen te doorstaan zonder zelf te verroesten:

deze landschelp, kuitige vrucht
dit teerlobbige oogliddunne kiertje
dit weke slot waarop alles loper wordt
waaruit oorsprong ontvlucht - sinds eeuwen loopt ze gesmeerd geen roest krijgt er vat  

In het afsluitende poëticale gedicht 'Hagars aspiraties' lijkt de bijbelse Hagar plaatsgemaakt te hebben voor Peeters zelf. Op het eerste gezicht kan het gedicht gelezen worden als een wens van de dichteres om aansluiting te krijgen bij de grote dichters uit het verleden:

Laat mij een van de decadenten zijn en drinken met de mannen. Laat mij je volgen, Baudelaire, Whitman, Campos
alle grote in zichzelf gelovende triomfators  
(p. 40)

Maar op een dieper niveau is het gedicht een pleidooi voor de acceptatie van de vrouw in een mannenwereld. Langzaam lijkt de stem van Peeters te verworden tot de stem van de vrouw in het algemeen:

Vaders van de wereld, strijk jullie hand over het hart.
Maak deze ene keer een uitzondering om voor eens en voor altijd
een tot navolging dwingend precedent te scheppen
door mij toe te laten tot alle rijken en domeinen van de wereld
die sinds mensenheugenis taboe voor mij gebleven zijn
omdat het de beheerders van die kroondomeinen wel goed uitkwam. 
(de opmaak in de bundel is anders)



Terug naar: Introductie

 - Klik voor een uitvergroting
Voorzijde omslag van Loper van licht (2008)