4: "Wasdom"
Op 27 januari 2011, Gedichtendag, werd het stadhuis van Utrecht omgedoopt tot stadHuis van de Poëzie. Daar presenteerde Hagar Peeters haar nieuwe dichtbundel Wasdom. De bundel bevat zowel gedichten uit haar jeugd als recenter werk. Peeters zelf sprak in een interview met Trouw (16 april 2011) over 'door elkaar gehusselde jaarringen'. De samenvoeging van poëzie uit deze brede periode heeft geresulteerd in een dik werk dat is opgedeeld in vijf afdelingen: strijdperk, wederkerigheid, wederkeer, onomkeerbaarheid en baken. Het overkoepelende thema is verwachting en de daarbij onvermijdelijke teleurstelling.
In de eerste gedichten van de afdeling 'Strijdperk' schrijft Peeters over haar grootmoeder. Het gedicht 'Mijn grootmoeder was een frontsoldaat' gaat over haar katholieke oma bij wie de pastoor jaarlijks kwam controleren of ze wel zwanger was:
waarop de pastoor aan de deur verscheen
om de dracht van het harnas te keuren
en zo keurde hij jaarlijkse de curve van de buik
van de met dracht geharnaste horige frontsoldaat
die mijn grootmoeder was.
(p. 8)
In een interview met Vrij Nederland (22 januari 2011) zei Peeters hierover: 'Zo moesten de katholieken in de Peel een meerderheid zien te krijgen in een overwegend protestants land. Dertien kinderen heeft mijn oma gekregen, en ze had er weinig over te zeggen. Ze hoopte op een plaatsje in de hemel, maar het wrange is: toen haar einde naderde, was er niemand meer die nog geloofde en ze stierf in onzekerheid.'
Ook de rest van 'Strijdperk' gaat over het geloof, de verwachting en de teleurstelling die daar onlosmakelijk mee verbonden is. Net als in haar voorgaande bundel Loper van licht is de toon af en toe geëngageerd te noemen. Het gedicht 'Duerme, duerme negrito, que tu mama está en el campo' (naar een Argentijns slaapliedje) verwijst bijvoorbeeld naar de uitbuiting op de koffieplantages.
Dit is een slagveld! Rombom, rombom
rumbonbon en koffieplantage! Bon, bon
c’est une blamage! Droomoor, droomoor hoor
je mij ik zing een wijsje bij je bedje
ik zing van je moeder op het slagveld, de plantage.
Droom je, droom je klein zwart jongetje?
Je moeder werkt op het land.
(p. 18-19)
Hier is ook te zien hoe Peeters' spel met klank en taal resulteert in een liedjesachtig geheel. Dit liedjesachtige komt terug in de gehele bundel en deze gedichten zijn veelal toe te schrijven aan Peeters jongere jaren. In de tweede afdeling 'Wederkerigheid' staat bijvoorbeeld het gedicht 'Liedje' dat Peeters geschreven heeft toen ze nog een tiener was:
Je wilt mij niet, mij wil je niet
en jou wil ik, ja ik wil jou,
je lange broek, je korte mouw,
je grootst geluk of diepste rouw,
'k wil jou 'k wil jou 'k wil jou.
(p. 44)
Het gedicht gaat over het verlangen naar liefde, zoals de hele afdeling gedichten bevat die over de liefde gaan. 'Wederkerigheid' bevat ook enkele gedichten voor Remco Campert, Hagar Peeters' grote voorbeeld. Peeters schrijft in 'Ik herken je''over de herkenning die ze ervaart als ze de gedichten van Campert leest:
in deze kleine dood die we sterven
maar nooit voor eeuwig
wanneer jij gedichten schrijft
die ik lees
ik herken je
deze kleine dood sterven we samen
om de grote alleen aan te kunnen gaan.
(p. 49-50)
De dood is ook het onderwerp van 'Wederkeer', de derde afdeling van Wasdom. Peeters wisselt in deze afdeling wat zwaardere gedichten over de dood af met humoristische verzen waarin ze gebruik maakt van verschillende soorten rijm. 'De directeur en de nar' gaat bijvoorbeeld over de directeur van de wereld die een nar ontboden heeft om hem te kunnen adviseren over de mogelijkheden om een beetje afleiding te zoeken van zijn saaie werk. De nar verdwaalt in de wolkenkrabber waar de directeur op de twintigste verdieping zijn kantoor heeft en komt uiteindelijk veel te laat:
Lang na afspraak stond hij dan eindelijk voor de deur
van de toch al humeurige directeur.
Die was drukdoende als altijd in de weer
met het laden van zijn geweer. De nar schoot hij neer.
Dit voorkomt, sprak hij, dat ik mijn verstand verlies.
Een dode nar geeft tenslotte het beste advies.
(p. 106)
De vierde afdeling 'Onomkeerbaarheid' gaat over oorlog. Dit zwaardere thema past bij de thema's van de voorgaande afdelingen, omdat verwachting en teleurstelling soms leiden tot geweld. Over oorlog zegt Peeters in een interview met de Volkskrant (12 februari 2011): 'Oorlog is een ontkenning van de universele menselijkheid die uit poëzie spreekt'. Die menselijkheid spreekt ook uit de gedichten van Peeters die de oorlog en vooral de slachtoffers van de oorlog herdenkt. In 'Gedenksteen' vraagt ze zich af hoe de doden zichzelf zouden herdenken:
Als de doden zichzelf
konden herdenken,
hoeveel minuten
zouden zij zich gunnen,
is om de doden
te herdenken
de duur van de dood
toereikend?
(p. 133)
De laatste afdeling van de bundel is getiteld 'Baken' waarbij de eerste vijf gedichten gaan over geboorte, het tegenovergestelde van de dood en vaak het gevolg van liefde. Deze afdeling bevat ook een drietal gedichten die Peeters schreef voor het fotoboek Kapitaal van stichting LMC Voortgezet Onderwijs. De gedichten gaan, heel toepasselijk, over school.
Passer, geometrische driehoek, liniaal,
vijf pennen in mijn zadeltas.
Al ken ik ook de wegen,
nooit kom ik aan op school.
(p. 149)
De laatste gedichten van de bundel zijn spottende gedichten die gaan over poëzie en taal. Peeters lijkt te willen zeggen dat poëzie niet altijd serieus genomen hoeft te worden. Ze recenseert de taal en eindigt de bundel met een 'Lamento van het gedicht', een klaagzang.
Ik koester niet de illusie dat u mij langer
dan een ademtocht verdraagt.
Ik besta alleen wanneer u dat van mij vraagt
en wat u aan mij heeft? Ik weet het niet.
U zoekt iets, maar of u dit in mij kunt vinden?
U verlangt het verlossende woord
dat niet bestaat, maar ja, zo klinkt het:
.......................
(p. 163)