Introductie
Ilja Leonard Pfeijffer is pas vijf jaar actief als dichter, maar wekte daarbij zoveel discussie en zelfs woede op, dat die carrière al veel langer lijkt. In 1998 debuteerde hij als 30-jarige met de bundel Van de vierkante man die het jaar daarop werd gehonoreerd met de C. Buddingh'-prijs voor debuten en bovendien werd hij ermee genomineerd voor de prestigieuze VSB Poëzieprijs.
Zijn notoriteit dankt hij evenwel aan de discussie die hij in oktober 2000 aanzwengelde met een artikel in het tijdschrift Bzzlletin over 'De mythe van de verstaanbaarheid'. Hij ageerde tegen de 'verstaanbare gedichten', gedichten die voor voordracht bedoeld en geschikt zijn, maar die op papier niet overleven. Hij verlangde 'gewaagde metaforen, vernieuwende woordcombinaties, ongebruikelijke woorden of verontrustende syntaxis' en plaatste zich met veel aplomb in de traditie van Hölderlin en Lucebert, van experimentele en ongebreidelde poëzie.
De centrale stelling van zijn artikel in Bzzlletin was: 'Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie', een stelling die niet alleen veel commentaar, verontwaardiging en onbegrip opriep, maar die daarvoor ook speciaal zo provocerend was gelanceerd. Wat vooral de reacties feller maakte, was de onbescheidenheid van Pfeijffer om een eigen gedicht als voorbeeld te nemen. Uitgebreid nam hij de moeite om uit te leggen waarom dat gedicht van hem zo knap in elkaar stak. Hij legde vooral uit hoe de associaties werkten, niet alleen voor het gedicht (dat organisch groeit door de ene assoiatie op de andere te stapelen), ook voor de dichter en vooral ook voor de lezer: 'Je moet je analytisch hoofd dat wil snappen hoe het zit afschroeven. Poëzie lezen is een vorm van vermoeden' en dat is nodig want alleen 'Zulke poëzie kan een mens veranderen'. Dat kan alleen, volgens Pfeijffer, als poëzie niet expliciet is: 'Je moet de dingen concreet maken', niet door de dingen rechtstreeks bij de naam te noemen, maar 'door ze te laten zien, voelen, ruiken en proeven'.
In de pers wordt zeer uiteenlopend en bijna steeds fel en gretig gereageerd op de uitspraken en gedichten van Pfeijffer. René Puthaar noemde hem 'een charlataneske woordkramer met valse papieren'. Tegenover het rijtje eisen dat Pfeijffer aan de poëzie stelt, staat zijn rijtje klachten over Pfeijffers gedichten: 'zijn pathologische wolligheid, zijn talloze inversies, zijn bloemrijke fraseologie, zijn gebrek aan spanningsbogen en pointes, zijn even troebele als obligate vermenging van het hoge en het banale'.
De hoogste tijd dus voor een reeks citaten uit het die gedichten.