'Ik eis onweerstaanbaar bizarre poëzie' (2)
De tweede dichtbundel van Pfeijffer verscheen in 2001 onder de titel Het glimpen van de welkwiek. Het eerste gedicht daarin is weer vol programmatische uitspraken, waarin vooral de ontregeling en verwarring worden geprezen: de dichter zal de lezer ontkennen en het bestaande moet worden 'herschapen'.
wat namen draagt
zal ik voor u benoemen
ik zal uw helderheid verhelpen
noem mij tegenspreker nietman dover
of drager van schijn
(p. 13)
In de liefdesgedichten die volgen, klinken opnieuw stemmen door van eerdere dichters uit allerlei windstreken. Soms wordt de liefde bezongen in ontkenningen, waarbij de eenwording met de geliefde niet als een echte eenwording maar als een optelsom wordt beschreven:
niet zijn het heuvels die mij doen klimmen en dalen
op de lange reis over zeven continenten van jouw lijf
het is een soort vliegen op de witte wolken
van jouw lijf en het is en het is jou zijn
want niet is het vliegen dit vliegen
niet is het mij zijn dit heel zijn
het is mij zijn en jou zijn en zon zijn
(p. 23)
De polemische activiteiten van Pfeiffer komen in deze bundel vooral tot hun recht in het lange gedicht 'Vuurvogel' ('vuurvogel' eigenlijk, want Pfeijffer gebruikt zoals de Vijftigers consequent kleine letters). Daarin wordt eerst en vooral duidelijk gemaakt wat poëzie allemaal niet is: 'geen poging tot prevelen' is het, 'geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend'. Ook zet hij zich af tegen de poëzieschool die 'een madeliefje meubelstuk of kinderziel' zo zien, zoals het nog nooit is gezien, de dichters dus die de nadruk leggen op het op een bijzondere manier kijken naar de wereld. Ook 'puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie', waarmee alle performers en rappers het nakijken hebben. Al evenmin is het een 'ootmoedige hoogmis voor de poëzie' of 'heethoofdig samenzweren in een revolutionair café', dus geen terrein voor ontzag of engagement. Halverwege het gedicht moet de dichter dan toch zeggen wat poëzie wel is en dat blijkt niet zo eenvoudig. Hij komt eerst met sfeer en omstandigheden aanzetten:
poëzie is prinsheerlijk pinkelen in gotham city
terwijl je messen vermoedt en gevallen vrouwen
(p. 28)
en:
poëzie is vuig portamento met vals contrapunt
van een lui baldadig orkest dat aan bier denkt
(p. 29)
Ondertussen is wel duidelijk dat poëzie in de eerste plaats geen andere ambities moet hebben dan in woorden te bestaan. Niet in goede bedoelingen, idealen of wetten. Toch is het niet een woordspel zonder meer:
poëzie is jouw pijn in haar tieten terwijl het regent op de gracht
en je lacht want er valt niets te lachen
(p. 29)
De poëzie die Pfeiffer voorstaat moet duivels en hemels tegelijk zijn, waarheid en verzinsel in een onscheidbare kluwen, occult en vreeswekkend:
poëzie is gevaarlijk of zij is geen poëzie
(p. 30)
waarna de uiteindelijke strofe zonder schroom de wereld van cliché's binnenzeilt:
poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen
in de taal van mensen
poëzie is mens
(p. 30)
Dit is wat Pfeijffer in een voorwoord bij klassieke liefdesgedichten (Niets zoeter dan de eros) verklaarde over de Griekse en Romeinse dichters: 'En de liefdeslyriek van Griekse en Latijnse dichters is geen verstilde, nobele poëzie van verheven sentimenten. Zij stinkt naar mens. Zij is vals, goor, banaal en echt.' En: 'Zij schreven poëzie met kloten'. Pfeijffers dubbele positie als dichter en geleerde komt ter sprake in een ander lang gedicht, 'Academia':
ken jij de stad die stevig is gebouwd van torenhoog verheven
hersenspinsels en zorgvuldig fantasievol vormgegeven
goed geconstrueerde luchtkastelen op de fundamenten
van een wilde hypothese
(p. 42)
Een stad ook waarvan de verlichte geest tot ver over de grenzen befaamd is en waar studenten dan brallerig zijn, maar wel 'goed latijn' brallen:
waar jongens jongens zijn met overgave
en meisjes eeuwig negentien
(p. 42)
Maar die stad kent de dichter niet meer. Wel kent hij
de stad die in het afgekorte
oeverloze esperanto van benepen managers
wordt gekort en afgeknepen ten bate van van de baten
en employability en die gemarket worden moet
met wervingsslogans als was zij een wasmiddel
(p. 42-43)
Daarmee is de plaats van 'de idealen van zeven vrije kunsten' aan het 'dorren van het dealen voor het derde geld', zoals Pfeijffer het in deze protestsong uitdrukt.
De titel van de bundel wordt ontleend aan het gedicht 'Kijker':
het valt nog te bezien of ik kan stijgen
maar glimpen blijft een welkwiek eigen keen incluis
een vleugelflensling ben ik uit het korps van zieners
gevallen engel in de spraak van bloed
(p. 53)
Dit gedicht is het eerste in een reeks sonnetten ofwel klinkdichten en al die achttien gedichten hebben klinkende titels met een grote hoeveelheid letters 'k', zoals: 'kygnos', 'kunststuk', kleinhans', 'kammerspiel', 'kringloop', 'knechtschap kilopascal', 'kabeltelevisie' en 'klinkers van k'.
Het gedicht 'geen haiku' geeft ook aan dat de dichter niet te beroerd is er een dubbele moraal op na te houden als het om dichtkunst gaat:
geen haiku
vlinder in de trein
mijn god dacht ik als daar maar
geen haiku van komt
(p. 79)
In het gedicht 'De man van vele manieren' (p. 87-89) lijkt het wel of Pfeijffer probeert zulke lange woorden te gebruiken dat ze in hun eentje een hele regel in beslag nemen. Via 'sneuvelbereidheid' en 'zwabberuiers' komen we bij 'punnikoogjes', hangbrugneusje' en 'toetstielemansepigoontje'. Uiteindelijk gaat het er simpelweg om dat wolken veranderen in vrouwen, die
knielen voor mijn stoel en biechten
dat verhalen bestaan die ik verzon?
het houdt nooit op er komt
geen einde aan
(p. 89)
- Lees verder over Pfeijffer: 'Ik eis onweerstaanbaar bizarre poëzie' (3)
- Terug naar: Introductie