'Ik eis onweerstaanbaar bizarre poëzie' (3)
In 2002 verscheen Dolores: elegieën, zoals alle andere Pfeijffer-boeken bij De Arbeiderspers, voorheen de thuishaven van vooral anekdotische en ironische dichters, in elk geval niet van de experimentelen. Dolores is deel 4 van de zogeheten Steppoli-tetralogie, waarvan verder alleen nog het eerste deel, de roman Rupert, werd gepubliceerd. Deze gedichtenbundel bevat dertig liefdesgedichten die vooral de wanhoop, pijn en mislukking van de liefde tonen. De bundel opent met een gedicht dat Pfeijffer schreef over het thema Het Ideale Gedicht. Lezers van NRC Handelsblad, de VPRO-gids en bezoekers van de Poetry International-website maakten via een enquête duidelijk welke eigenschappen een ideaal gedicht zou moeten hebben. Dat ideale gedicht gaat 'over het raadsel van het bestaan', het stemt tot nadenken, het is weemoedig en humoristisch, het rijmt liever niet en is niet streng metrisch. Elf dichters schreven zo een gedicht; dat van Pfeijffer begint als volgt:
in een niet nader aangeduid seizoen
schreef ik in de ik-vorm een tijdloos
en meerduidig gedicht over het raadsel
van het bestaan dat met weemoed en humor
tot nadenken stemde en ontroerde
het had geen strakke vorm er kwamen zeekoeien in voor
en berekeningen van salonbèta's die wel klopten
maar niet van toepassing waren en woorden zoals houtekiet
waarop je niet kunt rijmen alsmede koenraads kleefpastei
en zeezoutwit dat altijd blauwer opdroogt dan je dacht
en iemand die zei hebben jullie dat nou ook
maar niemand had dat ook het was een ideaal gedicht
en maar want toen ik jou toen ik jou zag zitten
leunen en liggen in jouw weergaloze jij-vorm
met het pronte volrijm van jouw deinend distichon
op het dwingend strakke metrum van jouw maten
in fracties van seconden volmaakt expliciet
(p. 7)
Toen viel alles op zijn plaats, aldus het gedicht:
rijmde mijn bestaan op het raadsel van jouw lijf
en was er liefde op het eerste gezicht:
ik heb je gezoend gelikt gezoend en uitgeknipt
en opgeprikt waar ik jou dag en nacht kan lezen
jij o mijn pure vorm mijn ideaal gedicht
(p. 7)
De dertig gedichten verschillen zeer in lengte, maar eindigen allemaal met een enkele, vaak ultrakorte regel, zoals:
stomme mutsetrut
(p. 17)
of:
ik wil vandaag voor een dag dood zijn in jouw kussens
(p. 27)
Intussen wordt in de meeste gedichten over de liefde gesproken in een steeds wisselend jargon. De muziek bijvoorbeeld:
luister en hoor het spel van vingers en lippen
hoe in een zacht gestreken bed van donzen altviolen
hartslag sluimert van de slag terwijl een donkerbruine tremolo
vlindert in de onderbuik van bas en cello
(p. 10)
Die onderbuik krijgt snel meer te doen: 'hij rijst' en wordt vergeleken met 'een kolom van een ongehoord akkoord' en vervolgens verdringen de muziektermen elkaar: 'crescendo', 'reine drieklank', 'balken', 'tutti', 'septiem', 'blinkende bekkens', 'accelerando poco a poco', 'fuga', 'con fuoco', 'kwintencirkel', 'grande finale' tot het 'contrapunt'.
In een ander gedicht zijn beeldspraak en woordenschat ontleend aan de handel:
ik had je uitgestippeld en dolores tot in de puntjes
doordacht dat ik na investering van mijn blik
op jouw blik en alles wat mij is
met derving van al mijn activa
vijandig werd overgenomen door het bedrijf
van jouw hoge gebaren
(p. 11)
Vaker echter zijn de termen afkomstig van eettafel, keuken en markt:
zwaanziek zwelgen in elkaars blanke armen van boter
met gedotterde ziel en zalig zeuren als een kind
met vette ogen glimmen tot in het einde van het alfabet
benevelig vervluchtigd tot elkaars bouquet dat ons dronken
duizelt van liefde en het was
en het was goed dolores
(p. 33)
- Terug naar: Introductie