1: 1979-1987: "Ik kan dit leed met niemand delen"

Jean Pierre Rawie debuteerde in 1979 met Het meisje en de dood, waarmee hij koos voor een kenmerkende titel. Steeds weer terugkerende thema's zijn liefde, drank, doodsverlangen en het lijden dat daar zo nauw mee verbonden is. De dichter houdt zich bezig met de vergankelijkheid van het leven dat plotseling duidelijk kan worden in gewone zaken. Het motto ademt dezelfde sfeer:

De dag wordt kort.
Het loof verdort.
Ik drink weêr port.

Ook in de rest van de bundel lijkt het alsof het eeuwig najaar is: het seizoen krijgt gestalte in de melancholische stemming die in de gedichten doorklinkt. Rawie, die een voorliefde heeft voor dichters uit de Renaissance, heeft een taalgebruik dat soms wat ouderwets aandoet, zoals in het gedicht 'Romance'. De titel wekt de indruk dat de dichter een vrouw aanspreekt, maar de taal is geïnspireerd op bijbelse motieven. De eerste twee strofen luiden:



Op doortocht naar uw herfstig rijk
van parken en paleizen,
moet gij, dat ik u nog bereik,
mij zelf de wegen wijzen.

Wil mij tot dit verheven doel
met eigen hand geleiden;
wanneer gij voelt wat ik gevoel
dan staat ge mij terzijde.
(p. 10)

Rawie maakt veel gebruik van klassieke versvormen, zoals sonnetten en rondelen, en toetst zijn sonnetten naar eigen zeggen aan Petrarca. Ook in de thematiek van zijn gedichten komt de bewondering voor Petrarca tot uitdrukking. Het verlies van een geliefde speelt in de lyrische gedichten regelmatig de hoofdrol:



Ach, elke liefde eist een tol
en wat het ons ook heeft gekost,
van terugbetalen was geen sprake;

it's better to have loved and lost
than never to have lost at all.

Ik hield ervan je aan te raken.
(p. 19)

Maar droefheid om het verlies mag niet omslaan in verbittering, vindt de dichter. Ironie en zelfkennis moeten de problemen uit het verleden relativeren:



Al was ze wreed, doortrapt en laf,
verwijt het de geliefde nooit;
zij heeft alleen het werk voltooid
waartoe je zelf de aanzet gaf.

Beschouw je woede en je leed
maar als een teken aan de wand:
hoe vaak je ook je vingers brandt,
je hebt het ijzer zelf gesmeed.
(p. 23)

En toch houdt de dichter zich, door ervaring 'wijs' geworden, ook niet altijd aan zijn eigen voornemens:

Ach liefdesdrank die slechts naar droesem smaakt!
Want welke vrouw ik ook nog ooit verover:
zij wil gekleed, gevoed en klaargemaakt
en stelt daar niets dan rampspoed tegenover.
(p. 34)

Liefdesleed is niet het enige dat de ik-figuur ongelukkig maakt. Zijn persoonlijke kwetsbaarheid wordt gespeigeld aan het algemene leed in de wereld. Deze gedichten zijn zwaar doordrongen van het besef dat aan alles eens een einde komt. Rawie beschrijft die overal aanwezige vergankelijkheid in herkenbare woorden:

                                 En onherroepelijk nabij
zijn allen die al langzaam aarde zijn geworden.
Van oude mensen gaan de dingen nu voorbij.

Alles vergaat en de leegte van het bestaan maakt degenen die liefhebben kwetsbaar:

En wij, die meer verloren dan wij ooit bezaten,
wij worden stil van zinloze verwondering.
(p. 16)

De ellende die de dichter beschrijft, lijkt soms allesoverheersend te worden, maar krijgt juist dan een onverwachte wending:



Het Leed is niet van gister of vandaag
en dit verhaal misschien niet zo bijzonder,
maar toch ben ik er reuze treurig onder
en vind het juist en passend dat ik klaag.
(p. 24)

Rawie besluit de bundel alsof hij zichzelf en zijn leven niet helemaal serieus neemt met het veelzeggende 'Finis':



Heden is, na een langdurig lijden
dat hij met godsvertrouwen droeg,
Jean Pierre Rawie van ons verscheiden.
Hij komt dus niet meer in de kroeg.

Dat hij, die somber was bij tijden,
de hand niet aan zichzelve sloeg
stemt misschien nog wat tot verblijden,
al is het zo al erg genoeg.

Wat hem tot slot de dood in joeg,
de liefde of de drank, of beide? -
wij hebben door dit overlijden
een leger leven voor de boeg.

Het is zoals de Ouden zeiden:
de besten gaan altijd te vroeg.
(p. 36)

Dit gedicht bleek drie jaar later bijna realiteit te worden toen Rawie door overmatig drankgebruik voor korte tijd in het ziekenhuis kwam te liggen (wat zich in 1987 zou herhalen). Zijn tweede bundel, Intensive care (1982), droeg de littekens van deze heftige periode. De eerste vier gedichten dragen dezelfde titel als de bundel, genummerd I tot IV. Hierin beschrijft de dichter de behandelingen van 'de als arts geïncarneerde goden' plastisch en met nauwelijks onderdrukte spot:



Hoe hij ook snijdt en wroet en hakt en kerft
in andermans verziekte lijf en leden,
geen hond die onze dokter tegenhoudt.

En als je niet onder zijn handen sterft,
word je tot slot weer dankbaar en tevreden
geheel aan de verpleegsters toevertrouwd.
(p. 6)

De sfeer in deze bundel is in vergelijking met het debuut wat grimmiger. Zo heeft het treurige, maar romantische herfstweer plaatsgemaakt voor gure kou in het gedicht 'Januari'. Ook het taalgebruik is bitterder:



Je bent wel min of meer gehandicapt,
maar wat je nog aan kwaad kunt doen, dat doe je,
al is het op den duur wat moeizaam roeien
met die verrotte riemen die je hebt.
(p. 17)

In 'No second Troy' lijkt het onderwerp van een voorbije liefde op het eerste gezicht romantisch, maar al in de eerste strofe wordt de lezer op een ontnuchterende manier met de harde werkelijkheid geconfronteerd:



Ik heb een vrouw bemind, die best
een tweede Troje zou verdienen,
en die door drank en heroïne
onder mijn ogen werd verpest.
(p. 21)

Met een televisie-voordracht van 'De paarse tuinbroek' verwierf Rawie onbedoeld de reputatie van dichter van 'light verse'. Hij haalde in dit gedicht uit naar feministes:



Want waar de liefde aan kapot ging,
maanden na die eerste zoen,
was dat jij dat paarse rotding
nooit eens van je kont wou doen.
(p. 15)

Behalve klachten over verloren geliefden en de lijdende wereld, is er ook ruimte voor droevige zelfspot:



Nu zelfs mijn natste jongensdromen
zo stuk voor stuk zijn uitgekomen,
besef ik hoe genadeloos
het leven mij heeft beetgenomen
(p. 18)

De bundel eindigt met vier vertaalde gedichten van de Latijnse auteur Catullus, de Italiaan Cino da Pistoia, de Franse Albert Samain en de Rus Aleksandr Blok (van Blok vertaalde hij later nog enkele gedichten). Deze vertalingen weerspiegelen in taal en thema Rawie's eigen voorkeur:



Nacht, straat, lantaarn, drogisterij,
een wereld voos en afgestompt.
Een kwart eeuw gaat misschien voorbij -
dit alles blijft. Geen mens ontkomt.
(p. 37)

In 1986 volgde Kwade trouw gevolgd door Liederen in opdracht. De stijl van deze bundel lag weer dichter bij die van zijn debuut en zijn woordkeus was milder dan in Intensive care. Rawie laat graag het paradoxale zien: de gedichten tonen aan dat het lijden een onuitputtelijke bron van inspiratie is.



Ons leven is doortrokken van de dood,
wij hebben alle reden om te klagen.

Van hoopvolle verwachtingen voor de toekomst en herinneringen aan vroeger blijft uiteindelijk niet veel meer over:

en al ons hopen, liefhebben en vragen
is eigenlijk van elke zin ontbloot
(p. 21)

Kenmerkend voor deze bundel is dat het de dichter oneindig frustreert dat hij in zijn visie de enige is die van de problemen wakker ligt. Hij is alleen met krachtige middelen in staat om zijn gebrek aan slaap te verhullen:



Met drank en valium en speed
Lukt het nog wel mooi weer te spelen



Niemand ziet zijn wanhoop, waardoor hij alles wil vergeten en zelfs onverschillig wordt:



en wat kan mij de wereld schelen?
Ik kan dit leed met niemand delen.
(p. 15)

Tijdens een van zijn slapeloze nachten denkt hij aan 'nutteloze zaken' en trekt dan de conclusie:



De regen en het leed te allen tijde,
het komt tenslotte op hetzelfde neer:
wij hebben tegen het oneindig lijden
uiteindelijk maar een gering verweer.
(p. 22)

Hoezeer de ik-persoon (niet te verwarren met de dichter) zich ook zorgen maakt om het algemene lijden in de wereld, het is toch dit persoonlijke leed dat het meest direct op de lezer afkomt:



De ergste droefenis is trouwens pas
gekomen met het vreselijke weten
dat ik je nooit in wezen heb bezeten,
terwijl ik zo bezeten van je was.
(p. 18)

Het tweede deel van de bundel, onder de titel Liederen in opdracht, bevat drie langere gedichten. Rawie beschrijft in de eerste het lot van de kunst in ons land. Een kunstenaar heeft geen gemakkelijk bestaan en de autoriteiten houden door bezuinigingen de tradities in stand:

Het is toch door de eeuwen heen
wel zonneklaar gebleken:
de echte kunst gedijt alleen
- denk maar aan Rembrandt of Jan Steen -
bij kommer en gebreken.
(p. 27)

En, concludeert de dichter, juist daarom moet men bewondering hebben voor het 'zegenrijke landsbestuur'

dat tot behoud van de cultuur
de kunst durft te bestrijden!
(p. 28)

In tegenstelling tot toon van de rest van de bundel, is het afsluitende gedicht 'Madenballade' erg macaber:

Het hart dat klopte voor een lieve vrouw,
de hersens die ons niets dan zorgen gaven,
de maden lusten heel die troep wel rauw
nadat men ons vakkundig heeft begraven.

De dichter realiseert zich in de laatste strofe hoe luguber deze woorden klinken. Hoewel hij beweert niets anders dan de realiteit te beschrijven, laat hij ook ruimte voor een alternatief:

Wat ik hier zing is akelig en naar,
want allen wacht hetzelfde lot ten leste.
- Ook maden moeten leven weliswaar,
maar misschien is cremeren toch het beste.
(p. 33)

Amper tien jaar na zijn debuut, verschenen de eerste drie bundels van Rawie in 1987 gezamenlijk onder de titel Oude gedichten. In hetzelfde jaar werd de dichter weer opgenomen in het ziekenhuis vanwege een kapotte alvleesklier en een longontsteking. Een ervaring die niet alleen zijn leven, maar ook zijn latere werk veranderde.