2: 1987-heden: "Laat al die jaren maar verstrijken"
Opvallende elementen uit het leven van Jean Pierre Rawie worden weerspiegeld in zijn bundels - wat overigens niet betekent dat die gedichten autobiografisch zijn. Tijdens de eerste tien jaar van zijn dichterschap waren liefde, dood en drank de voornaamste thema's in zijn werk. In dat laatste kwam verandering toen hij in 1987 als gevolg van zijn drankprobleem drie maanden in het ziekenhuis kwam te liggen en op het randje van de dood balanceerde. Het heeft hem naar eigen zeggen ernstiger gemaakt en dat is ook in zijn poëzie terug te vinden. De kenmerkende ironie is verdwenen en de toon is serieuzer en troostgevender. In Woelig stof (1989) is deze verandering voor het eerst merkbaar. De bundel is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel bestaat uit sonnetten, het tweede heeft verschillende versvormen en deel drie bevat vertalingen van Spaanse, Italiaanse en Russische dichters.
Wat de delen samenbindt is dat de dichter zich bezighoudt met het verstrijken van de tijd en de desillusie die hij steeds vaker ervaart. Doordat hij oog in oog heeft gestaan met de dood, heeft hij echter ook meer aandacht voor de mensen en de dingen waar hij om geeft, juist omdat hij zich bewust is van hun vergankelijkheid.
In het gedicht 'Inzicht' kijkt de dichter terug op zijn leven en realiseert zich dat er niet veel terecht is gekomen van zijn idealen. Liefde en het leven zijn volgens de dichter onuitsprekelijk vermoeiend, het kwade is overal aanwezig en alles is vergankelijk. Tot zover is er niet veel verschil met zijn voorgaande werk. Maar de laatste strofe van dit sonnet brengt de ommekeer, waarin de dichter bijna verbaasd is over zichzelf:
Wat grijpt het mij nog aan, terwijl ik toch
allang doorgrondde dat het leven zo'n
intens lamlendige vertoning was?
(p. 10)
Nu hij tot de ontdekking is gekomen dat hij niet onverschillig kan zijn, dat het leven nog steeds iets met hem doet, lijkt hij des te meer te beseffen dat hij niets van het bestaan begrijpt. Vlak na zijn ziekte leek het leven betekenisvoller:
Maar ik genas, en deze roes verdween:
geluiden werden weer gewoon geluiden,
en in wat er gezegd wordt om mij heen
heerst als vanouds dezelfde flauwekul.
(p. 12)
De dichter richt zich meer op dagelijkse gebeurtenissen en concrete zaken voor de keuze van zijn onderwerpen, zoals de tuinmannen van een begraafplaats, een oude foto, een treinreis. De gewone dingen in het leven hebben meer zin gekregen, maar tegelijkertijd is de waarde van een dergelijk inzicht afhankelijk van hoe iemand er persoonlijk mee omgaat - het gedicht 'Het vers' is dan ook niet in de ik-vorm geschreven:
Een godsgeschenk, maar die genade heeft
je in steeds groter eenzaamheid gestoten.
Wie noem je werkelijk je tijdgenoten
Van de miljoenen tussen wie je leeft?
Een inzicht waar je nooit naar hebt gestreefd
heeft je het bitterste geheim ontsloten,
en alles krijgt pas glans en ware grootte
door de betekenis die jij het geeft.
(p. 23)
Verlies van wat je na aan het hart ligt, is volgens de dichter altijd pijnlijk en bovendien onvermijdelijk. Wanneer je niet verbitterd raakt, kan zo'n ervaring in zijn visie juist verrijkend zijn:
Maar alles wat zo dierbaar was
dat ik het heb verloren,
is mij sinds ik het kwijt ben pas
voorgoed gaan toebehoren.
(p. 38)
De bundel bevat ook een gedicht met de titel 'Intensive care', maar in deze versie klinken geen frustraties en harde verwijten tegen dokters. Aan het ziekbed van een moeder bekijkt het bezoek met bezorgde ogen wat zich afspeelt en de ik-persoon beschrijft de eigen machteloosheid:
Ik kan slechts met mijn hand wat clandestien
over een blote arm en schouder strijken,
en ben nog nooit zo dol op haar geweest.
(p. 16)
Liefde blijft dus een belangrijk thema, maar de scherpe kantjes zijn er vanaf. De wanhoop van de dichter komt tot uitdrukking in de laatste regels van het lyrische 'Waar ik ga'. De dichter loopt vroeg in de ochtend door een verlaten straat en denkt aan het verleden. Hij wordt zich bewust van de tegenstrijdigheid van zijn gevoelens:
ik heb je onherroepelijk verloren,
en raak je aan de straatstenen niet kwijt.
(p. 19)
Met het verstrijken van de tijd komt overal verandering in. Het vertrek van een geliefde maakt hem kwetsbaar en werkt bevreemdend:
maar liefste, ik zie enkel, wáar ik kijk,
in elke winkelruit een vreemde lopen
op wie ik sinds je weggegaan bent lijk.
(p. 20)
De tijd is in deze bundel een belangrijk gegeven. Het verbindt alle dingen met elkaar, hoe onbegrijpelijk het ook is. Onverklaarbare zaken en tegenstellingen zijn gewoon geworden, maar er blijft de hoop dat er een tijd komt dat alles samenvalt en duidelijk wordt:
De tijd voegt ons te zamen
onder dezelfde steen,
en strengelt onze namen
tot éen symbool dooreen.
(p. 33)
Ook de dichter is beïnvloed door het verstrijken van de jaren: hij heeft een meer peinzende instelling gekregen. Het voorbije jaar overdenkend schrijft Rawie in 'December' dat hij niet kan overzien wat hem in de toekomst te wachten staat:
- maar alles volgt dezelfde lijnen
en ieder einde lijkt op het begin.
De avond valt, straks sluit je de gordijnen
en keert tot je ontgoochelingen in,
die weldra met je mee zullen verdwijnen.
(p. 22)
Ook de vertalingen heeft de dichter uitgekozen op thema's die bij zijn stijl aansluiten. Luís Vaz de Camoens (1524-1580) sprak al over ontgoocheling en valse hoop in de door Rawie zo geliefde sonnetvorm. Met Lope de Vega (1562-1635) en Aleksandr Blok (1880-1921) als voorbeelden, laat de vertaler een geschiedenis zien van dichters die, ieder in zijn eigen taal, de paradoxen van het leven probeerden te vatten. Rawie heeft deze oude traditie voor de Nederlandse lezer - althans: voor het grote publiek - toegankelijk gemaakt.
In 1992 verscheen Rawie's zesde bundel: Onmogelijk geluk. Delen hiervan verschenen al eerder het mini-bundeltje Sonnetten (1990) en in Hemeltekens (1991). Rawie continueerde de stijl van Woelig stof en hanteerde dezelfde driedeling. De dichter leek de teleurstelling over de wanorde van het leven te willen inperken door middel van zijn dichterschap. In zijn poëzie vindt een (inwendige) worsteling plaats om grip te krijgen op het bestaan en de auteur koestert de wens om het ultieme gedicht te maken, het 'ordescheppend principe':
éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel:
alleen achter mijn schrijftafel gezeten
heb ik opnieuw aan heel de schepping deel.
(p. 9)
De kracht van poëzie kan - volgens Rawie - het universum weer in balans krijgen en ook mensen persoonlijk een doel in het leven geven. Juist wanneer het besef van zijn eigen sterfelijkheid zich aan hem opdringt, put de dichter hoop uit zijn schrijfselen, wat overigens in de literaire traditie een veel voorkomend idee is:
en slechts met de gedichten die ik maak
maak ik de wereld woord voor woord de mijne,
en breng ik het geschapene in kaart.
(p. 12)
Hoewel iemand sommige dingen uit zijn geheugen zou willen wissen, zijn het ook de herinneringen aan zijn jeugd en de omgeving waar hij is opgegroeid, die betekenis aan het leven geven:
ik ga naar binnen, en ik word weer klein,
en zeg, als alle goede, grote zonen,
dat ik gelukkig ben weer thuis te zijn.
(p. 18)
Maar zichzelf relativerend schrijft hij later:
Wanneer ik al wat is bedreven
en wat beleefd werd overzie,
blijkt dat ons weinig is gebleven
dan zinloze melancholie.
(p. 32)
Melancholisch klinkt het ook in de beschrijving van een voorbijschietend landschap:
Moest alles eerst verloren zijn
voor ik er iets van kon genieten?
Onachterhaalbare verschieten
Vanuit het venster van de trein.
(p. 29)
Dat je op onverwachte momenten aan het verlies van de geliefde herinnerd kan worden, wordt duidelijk na het overlijden van zijn vader:
Maar sinds hij mij ontviel, ervaar ik hem
steeds vaker in de gebaren van mijn handen,
en hoor hem spreken door mijn eigen stem.
(p. 22)
Door het verstrijken van de tijd, zal uiteindelijk niets hetzelfde blijven. Op het moment dat hij naar de heldere sterrenhemel kijkt in 'Ursa Minor', beseft hij dat het misschien maar beter is om in deze wetenschap te berusten:
Een levenlang van lief en leed ten spijt,
besef ik dat ik altijd heb geweten
dat ik uitsluitend hierop heb gewacht.
Ik luister naar het ruisen van de tijd,
en hoor de grote sterren en planeten
bewegen door de ademloze nacht.
(p. 39)
Na het succes van Onmogelijk geluk bleef het een paar jaar stil rondom Rawie. Wel verschenen er een paar bijzondere uitgaven van enkele gedichten, zoals Cyclus (1992) en een schooluitgave in de serie Grote Lijsters van Kwade trouw gevolgd door Liederen in opdracht (1996).
In de in 1999 verschenen bundel Geleende tijd is veel plaats ingeruimd voor vertalingen, die qua thema's goed in balans zijn met Rawie's eigen voorkeuren. De Italiaanse gedichten gaan voornamelijk over liefde en zijn hoopgevend van toon, terwijl de Spaanse en Russische de treurige kant van het leven laten zien. Rawie's eigen gedichten worden gekenmerkt door een beheerste kalmte.
Een aantal van deze gedichten verscheen al eerder in Gedeeld verleden (1999). In een brief van de uitgeverij bij die bundel werd de volgende typerende uitspraak van de dichter aangehaald: 'Mijn gedichten zijn niet somber; ze zijn ernstig en dat is een belangrijk verschil. De ironie in vroegere gedichten kan ik thans niet meer navoelen. Die gedichten gaan over de emoties waarbij ik toch steeds een slag om de arm houd. Ontroering is ook zo'n emotie: alle poëzie is balanceren op het scherpst van de snede. Een gedicht mag nooit naar sentimentaliteit doorslaan, dan is het mislukt. Maar dingen in de kunst die diep ontroeren zitten daar heel dicht tegenaan'. Die ontroering zou juist te vinden zijn in de dagelijkse bezigheden. Opbouw en afbraak wisselen elkaar af:
Maar wat vergleed, wat mag verglijden,
ik weet diegenen om mij heen
van wie ik zonder tranen scheidde,
en die ik tranenloos beween.
(p. 8)
Er bestaat volgens de dichter geen zekerheid over de vraag over we onze doelen zullen bereiken. Maar we vertrouwen ondanks alle twijfel:
en vragen niets dan ten geleide
het licht dat soms van gene zijde
voor onze voeten schijnt.
(p. 25)
Misschien komt het weerzien met geliefden, die lang geleden uit het zicht verdwenen zijn, pas aan het einde van de levensreis. Hoewel ieder persoonlijk voor zijn idealen heeft gevochten, is er in de visie van de dichter toch iets wat ons samenbindt:
En nu de meeste zekerheden
geleidelijk zijn zoekgeraakt,
deelt zich onopgesmukt en naakt
de laatste waarheid aan ons mede:
het is slechts dit gedeeld verleden
wat ons tot bondgenoten maakt.
(p. 21)
Wat de kracht van zijn poëzie betreft is de dichter iets terughoudender geworden:
Ach welk gedicht is ooit bij machte
zoveel van nu, zoveel van toen,
zoveel dat voorgaande geslachten
in ons verrichten recht te doen?
Dus geen uitspraken doen die universele geldingskracht hebben, maar het verwoorden van één-op-één ervaringen, dat is waar de dichter naar streeft:
Ik spreek alleen nog voor ons beiden,
alsof ik nu pas onderken
wat ik aan u te allen tijde
verschuldigd was, verschuldigd ben
(p. 15)
Die ervaringen zijn volgens Rawie nauw verweven met de relaties die je met anderen aangegaan bent. Een doos met oude foto's getuigt hiervan als relieken van een ver verleden. De doos kan je weer wegzetten, maar gedachten gaan altijd verder, besluit de dichter:
- Je denkt over de levens na
die zomaar zijn voorbijgegaan
en legt een nieuwe maatstaf aan,
geen jaren maar millennia.
(p. 14)
- Terug naar: Introductie