Introductie
Alfred Schaffer debuteerde in 2000 met de dichtbundel Zijn opkomst in de voorstad. In 2004 verscheen zijn vierde dichtbundel. Hij werkte regelmatig samen met de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog en was na zijn promotie als Fellow aan de Universiteit van Kaapstad verbonden. Schaffer, zoon van een Limburgse vader en Arubaanse moeder, woonde vanaf 1996 een tijd in in Zuid Afrika en is nu als redacteur verbonden aan uitgeverij De Bezige Bij.
Jezelf herhalen 'is verschrikkelijk', zei hij ooit en: 'Ik bewaar nooit oude gedichten'. Zijn bundels worden bevolkt door gewone mensen en dieren: 'een' man, 'een' vrouw, 'een' collega en 'een' schaap. Zij verrichten schijnbaar normale handelingen, maar het lijkt alsof ze deze wereld niet herkennen, alsof die er elke keer voor het eerst is.
Schaffer schrijft over tennis en voetbal, over 'Babygekrijs, dat de haren overeind laat staan', over vliegtuigen, woestijnen, rivieren, terrassen en flats. Het gaat over een pistool dat je in je hand aantreft: 'dat kan ik niet hebben gedaan denk je nog, dat kán ik niet hebben gedaan' en die dreiging is in sommige gedichten zo sterk dat het de lezer zou kunnen zijn die in 'een sprookjesbos' op de 'zompige ondergrond' uiteindelijk door honden gevonden wordt op een moment dat woorden 'overbodig' zijn.
Het werk in citaten: