De tijd verbrandt

De tweede dichtbundel van Victor Schiferli heet Verdwenen obers en verscheen in 2005. De bundel bestaat uit drie afdelingen: 'Het idee van een rangorde', 'Niets persoonlijks' en 'Vergeten vaders'. Het eerste gedicht begint met een uitspraak:

Tussen hebben en zijn loopt een dunne draad
die je niet breken kunt.
(p. 11)

In het gedicht worden vier beelden 'die verleden waren' bijeen gezameld: een op de Noordzee dobberende boot met vrouw, een kind aan de leiband, een tas in de wind bij een flatgebouw, doodgeslagen vliegen bij het raam. In een ander gedicht wordt over zulke beelden gesproken als herinneringen:

Vijftien januari was een vreemde dag. Zelf
heb ik er geen herinneringen aan.
(p. 13)

Vervolgens worden enkele herinneringen genoemd: een passerende buurvrouw, ritselende struiken, vuilnis en 'gepiep van het spoorwegemplacement'. Maar de conclusie na deze concrete beelden is het vreemdste van de beschreven dag :

                                                   Hoe ik het wend
of keer, ik weet er niets meer van.
(p. 13)

Waarbij de lezer maar moet bepalen of de nadruk op niets of of meer moet liggen. Weet hij niets? Of weet hij niet méér te herinneren dat dit? Zulke dubbelzinnigheden zijn typerend voor Schiferli.

Een programmatisch gedicht lijkt achter de titel 'Monogedicht' te schuilen, maakt dit gedicht een einde aan de dubbelzinnigheden?

Dit is een monogedicht.
Ik wil maar één ding.

Ik wil niets wat voortkabbelt met woordkunst.
Ik wil niets wat uit zichzelf niet vreest.

Ik wil teleurstelling in u laten zakken
als een kantelende piano.

Alle franje ligt al dagen
te verweken in de gootsteen.

Maar wat nu? Ik ben
geproblematiseerd.

Ik ben bars en beste buiten
enige binnenbranden niet.
(p. 15)

Enkele gedichten gaan over uitgedoofde inspiratie, een dubbelzinnig genre tot en met! Daaronder is een gedicht over het schrijven van sonnetten, maar de laatste regel (het gedicht eindigt één regel voordat het sonnet compleet zou zijn geweest) verzucht:

Veertien regels schrijf ik allang niet meer.
(p. 18)

In het titelgedicht van deze bundel ('Verdwenen obers', p. 25) wordt het verdwijnen in het dagelijkse bestaan letterlijk genomen: de ober ziet de ik-persoon niet zitten en de ik-persoon kan niets beter doen dan op zijn beurt de ober te negeren. Door zelf zijn bestelling te noteren. Door er een gedicht over te schrijven. Het lijkt zijn lot te zijn dat zijn eigen negaties moeten eindigen in een bevestiging en dat zijn belevenissen zich aan hem voordoen alsof het al herinneringen zijn:

Ov erbewustzijn. De manier waarop
je iemand toelacht en die lacht terug
alleen om de situatie te redden

en hoe daar op te reageren.
(p. 36)

Ja, hoe je te redden uit een redding? In de laatste afdeling van deze bundel lijkt de zich opdringende herinnering aangewend te worden om een vader niet te vergeten. Sobere, wellicht persoonlijke gedichten, die de in de zoon levende herinnering aan zijn vader spiegelen aan de herinnering in de vader aan zijn eigen vader, als een van generatie op generatie doorgegeven doem der vergetelheid:

en weet dat alles verdergaat met alleen
zichzelf en verhalen van vergeten

vaders
(p. 60)

In 2008 publiceerde uitgeverij De Arbeiderspers de derde bundel van Victor Schiferli: Toespraak in een struik. De bundel werd genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs. De bundel, zo staat voorin, 'kwam tot stand dankzij een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren, Amsterdam'. Er staan 36 gedichten in, wederom in drie afdelingen gerangschikt: 'Toespraak in een struik', 'Zonder zegen' en 'Dieren in de duisternis'. Een commentaar op een gedicht in de voorgaande bundel krijgen we in het gedicht 'Verschenen ober'. Is de ober uit de vorige bundel opgehouden met het negeren van zijn klanten?

De ober verschijnt met het bestelde
aan tafel maar wacht alvorens
het voor je neer te zetten.
(p. 16)

Hij is nu een pestkop, die wacht tot de ik-persoon aanstalten maakt het hete bord aan te pakken en dan zet de ober het gauw op tafel.

Ging het daar nu om? Kreeft
op porselein, de saus koud
als je vroegoud gelaat.
(p. 16)

Het openingsgedicht constateert dat de vreemdste zaken zonder reacties en gevolgen blijven:

Een orgie in een telefooncel.
Een verhoor in een lucifersdoosje.
Een toespraak in een struik.
(p. 9)

Geen wonder bij zulke miniatuurgebeurtenissen, maar och blijken de vlinders te applaudisseren en breken potloodpunten 'als ondervraagden'. In een ander gedicht wordt 'een gezaghebbend man' erop gewezen dat hij 'binnen een handvol decennia' niet meer zal zijn dan 'een bemoste steen' en dat zijn stropdassen eindigen in de kringloopwinkel (p. 11). Het bestaan in deze bundel is niet zozeer al herinnering geworden, zoals in de voorgaande bundel, maar al verder geschoven richting vergetelheid: het leven is nietig, verwaarloosbaar, te gering voor woorden, te onbelangrijk om geleefd te worden.

Victor Schiferli staat glimlachend
bij het hek.Hij ziet mij niet, ik
ben hem niet. Wel zie ik er zo uit.
(p. 23)

De dubbelganger is hier de tweelingbroer van de schizofreniepatient, althans zo lijkt het in deze recensies van het leven. Maar, constateert de dichter, hoe donker het uitzicht ook, niemand trekt zich er iets van aan:

Helder de woordkeus,
donker de implicatie.

Niemand overigens
die daarnaar handelt.

Het duurt nog lang,
het duurt nog jaren.
(p. 29)

In het gedicht 'De ziel der depressie' wordt beschreven dat 'je bent gestold in jezelf' en dat 'je luchtbed jankt als de noordenwind'. Maar goed voor de inspiratie is dat wel. Opnieuw kijkt de dichter terug naar een gedicht uit zijn voorgaande bundel, die waarin de sonnetten niet voltooid werden en de dichter na de dertiende regel was uitgeschreven. Nu is het anders:

Sonnetten komen, hard als kroketten, terugzetten.

In het frituurvet zie je heel je wezen weerspiegeld.
(p. 32)

Dat is nog eens wat anders dan Willem Kloos, die zijn ziel weerspiegeld zag in de zee, de zee...

De mensen zijn niet de wereld.
De schoorsteenmantel regeert.
(p. 46)

Het dagelijks bestaan is ons de baas en ook 'Nostalgie is niet meer wat het was' (p. 58). Het slotgedicht drukt de lezer nog eens op de illusieloosheid van alles:

De tijd verbrandt in beelden
die ons de verbeelding
van het verleden ontzeggen.

Soms zijn het je sleutels,
soms zijn het je voetstappen:
een dag dat je naar buiten ging,

het druilde, een jongen liep
over straat met twee kinderen
voor zich aan een leren tuigje.

Soms is het ook het krulsnoer
van je oude telefoontoestel.
Soms is het alleen het geruis.

Zoveel wat zoekraakt en weer
gevonden wordt, dan opnieuw
zoekraakt, nu voorgoed.
(p. 59).