2: "Handjeplakkend tegen het plafond"
Een tuil zeeanemonen (2000) is een verslag van een reis door Ambon in de voetsporen van de natuurkundige Rumphius. De reisbeurs hiervoor werd verstrekt door het Fonds voor de Letteren. In een voorwoord legde Patty Scholten uit waarom ze een hele bundel gedichten over Rumphius schreef en waarom hij haar intrigeerde. Georg Everhard Rumpf (geboren in Duitsland in 1627, overleden op Ambon in 1702) was een natuurwetenschapper die via het VOC op Ambon terecht kwam, waar hij planten en dieren bestudeerde en beschreef. Ondanks tegenslagen - brand, een gezonken schip, blindheid - kwam zijn werk gereed, maar het werd pas na zijn dood gepubliceerd. Een portret van Rumphius, waarop hij is omringd door boeken en opgezette dieren en schelpen, is gereproduceerd naar de oorspronkelijke uitgave uit 1705. Ook zijn reproducties van gravures van botten en schelpen opgenomen. De dichtbundel is verdeeld in drie afdelingen. De eerste afdeling heet 'Indische Plinius', waarin onder andere een eerste indruk van het land wordt gegeven in het gedicht 'Aankomst in Indië':
Hier staat ook Georg Rumph. Hij neemt een bad
en laat de golven om zijn benen kabbelen,
kijkt naar die wereld in het glazen nat
en vraagt zich af welk lot hem hier zal vinden.
Er komen visjes aan zijn tenen knabbelen.
De tropenzon probeert hem te verblinden.
(p. 15)
De tweede afdeling 'Van gemengd fatzoen' handelt voornamelijk over de dieren. Zo is Ambon het land van de 'Komodo varaan':
Hij tijgert door het zand, de poten wijd,
waarna hij vadsig in de zon verpoost.
Een omgevallen boomstam uit de Oost,
zijn bast een kleurig korstmossentapijt.
Hij lust een buffel rauw, een mens, een geit
en heeft de grote draak nog trek, dan troost
hij zich met wat hij kent: zijn eigen kroost
en hapt ze weg als toetje, zonder spijt.
(p. 38)
De derde afdeling heet 'Op zoek naar Rumphius' en geeft een indruk van het land en van de zoektocht naar Rumphius. Het gedicht 'Tjitjak' speelt zich af in insectenkringen rond een lamp:
Al gauw zit er een groepje gastronomen
al handjeplakkend tegen het plafond.
Tevreden smullen ze zich kogelrond
aan muggen en hun bloedbeluste dromen.
(p. 51)
Op Ambon ziet Scholten onder andere een eendenhoeder aan het werk (beschreven in het gedicht 'De stok').
We kijken uit op spiegels vol met water
bij ons ontbijt met rijst en met banaan,
en zien hem roerloos in de sawa staan.
Een man met hoed, omringd door veel gesnater.
(p. 52)
'Laatste dag te Latuhalat' biedt een terugblik op de ontdekkingsreis door Ambon:
Ik zocht naar Rumphius bij 't monument,
in Ambon, Hila, fort, bibliotheek.
Ik vraag me af of ik hem heb gekend.
Ik weet het antwoord niet. Misschien heel even
als naar vissen, krabben, schelpen keek,
die, eeuwen overspannend, eender bleven.
(p. 57)
De bundel Slapen zonder weerga (2002) opent met het gedicht 'Wandering position'. Door de positie, apart en voorin de bundel, wordt dit een programmatisch gedicht. Het gaat over een mier die zijn plaats niet kan bepalen en die zegt: 'Ik zoek alleen mijn nest. Het is hier niet' en die misschien het hem toegemeten terrein zou moeten verlaten, maar, concludeert het gedicht: 'Ik ben geen kunstenaar. Ik ben soldaat'.
Daarna volgt de afdeling 'Smakelijk!', waarin gedichten zijn opgenomen die eerder bibliofiel werden uitgegeven onder de titel Horecagedichten (2001). Het gaat niet altijd over gezellig, prettig eten, zoals de titel lijkt te suggereren. In 'Koffiehoek in bejaardenflat' staat de dood te wachten:
De leeftijd is hier: oud maar nog niet dood.
Ze hebben nog een roombroodje te gaan,
al is er weldra geen ontkomen meer aan.
Hun derde been rust bij een tafelpoot.
(p. 17)
En is het niet de dood, dan is het wel de overdaad die (in 'Een hapje') de lust laat verdwijnen:
Frambozenschuimtaart, vlaai, mokka-baiser,
brioche, knusperli, Berliner bol
Zo vult Patty Scholten het hele octaaf met zoetigheid en lekkernijen. Maar in het sextet gaat het drastisch een andere kant op, tot we bij de clou belanden:
Extractie, jacketkroon, apexfixatie,
retentiestift met tweevlaksrestauratie,
wortelkanaal van de derde molaar.
Fixatiekap, marsupialisatie,
Composiet inlay, vitaalamputatie.
Volledige prothese. Hapt u maar.
(p. 18)
Hiermee toont Scholten haar aandacht voor het vakwerk van de sonnettenschrijver, die gebruik wil maken van eeuwenoude modellen. Het is een staaltje onvervalst rederijkerswerk, dit sonnet van opsomming en tweedeling. De tweede afdeling van de bundel heet 'Noem mij dier' en daarin komen - als steeds bij Scholten - de dieren volop aan bod. Zo zijn er bijvoorbeeld de 'Rendieren' in een gedicht dat eerder bibliofiel uitgegeven werd.
Het gras is ze te mals, ze eten takken.
Hun bek vol ruwe vezels; dental floss.
De lippen bruin fluweel als toendramos
en platvoeten om niet door 't ijs te zakken
(p. 31)
'Verschuivend leven' heet de derde afdeling van deze bundel. Hierin komen herinneringen en zelfreflectie aan bod in het gedicht 'Campingman/campingvrouw'.
Ik moet meer potjes hebben, minder vet
en veel meer tutteren bij het toilet,
bepeins ik bij een kritisch onderzoek.
En geen gedichten maken, maar naar bed.
Mijn campingman drinkt fris en leest een boek.
Ik hou van hem als hij de tent opzet.
(p. 40)
Het gedicht 'De zwerver' werd in 2003 apart uitgegeven in een kleine oplage, gedrukt door De Uitvreter in Zoeterwoude:
Hij draagt een baseballpet tegen de kou.
Een jas vol vlekken, er ontbreekt een mouw.
Maar hij heeft goede zin, ook zonder bad.
Misschien denkt hij aan 't walk-in-kerstdiner.
'Een kindeke trala boemdiee...
zo'n goeie hebben we nog niet gehad.'
(p. 50)
Patty Scholten schreef naar aanleiding van de dood van vertaler James Brockway (1916-2000) een sonnet. Brockway vertaalde de bundel Traliegedichten in het Engels als Elephants in love and other poems, dat door London Magazine Editions - na zijn dood - in 2001 gepubliceerd werd.
Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.
Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: 'Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.
(p. 51)
De vijfde bundel van Patty Scholten, Bizonvoeten (2004), vermeldt op het omslag dat het om 'reisgedichten' gaat. Er zijn twee afdelingen: 'Reissonnetten' en 'Gezangen van ontheemding'. In sommige gedichten staat een schilderij centraal, zoals in 'Edward Hopper, Hotelroom 1931':
Ze is net aangekomen en ze zit
- de koffer nog onuitgepakt - op bed.
Haar blauwe dophoed heeft ze afgezet.
De lakens ongekreukt en hagelwit.
(p. 15)
Ook dicht Patty Scholten over natuurgeweld in 'Geyser'.
Er hangt een vieze lucht, al zijn we buiten,
want dit is wit en weeïg zwavelland.
Coyotes sluipen langs de canyonwand
met opgestoken oortjes, waakse snuiten.
Ik schrik me wild. Met bulderend gedonder
schiet een kolom heet water in de lucht.
Als er een hel bestaat, zit hij hier onder.
(p. 17)
In 'New Orleans' moet de lezer voor het rijm de Amerikaanse uitspraak van Franse woorden aanhouden:
Ik drink espresso bij The French Café.
Een dame zit te zonnen op 't terras en
twee kaketoes die schor 'I love you' krassen,
bij haar op schoot. Ze voert ze 'n French beignet.
(p. 23)
Naar aanleiding van de film 'The bridges of Madison County' schrijft ze over de brug die in werkelijkheid bestaat en ooit dienst deed als gelegenheidsgever aan verliefde koppels.
Want kussen op de brug ging ongezien.
De bruglengte de duur der vrijerij.
Een oud paard voor de koets hielp bovendien.
(p. 31)
De afdeling 'Gezangen van ontheemding' begint met 'Grenzen aan onderzoek'. Daarin wordt een dichter/passagier aan de controles van de luchtvaartmaatschappij onderworpen:
Mijn verzen zijn dynamisch, maar steeds fair.
Ik doe in poëzie en niet in mensenvlees.
If you don't mind, would you now walk through here?
(Let's see if the detector finds a weapon.)
Ik ben maar een gewone passagier
U kunt hooguit wat dropjes onderscheppen.
(p. 39)
In 'Poetry slam' woont deze zwaar gecontroleerde dichter een poëziemanifestatie bij, waarbij met de pet wordt rondgegaan voor de beste dichter:
Geen stille eerbied voor de poëzie.
'I'm catatonic, hooked on tonic, men!'
roept in 't gejoel de zwarte Tiffany.
De leitjes gaan omhoog. 'I got a ten,
I got an eight, I got a nine point three...'
Wat saai dat ik in Holland dichter ben.
(p. 49).
- Terug naar Introductie