Introductie
Rob Schouten heeft sinds zijn debuut in 1978 niet alleen gedichten geschreven, maar ook een constante stroom poëziekritieken verzorgd. Begon hij met Gedichten 1 als een ironisch melancholicus, inmiddels is zijn poëzie eerder het werk van een relativerende analyticus. In zijn gedichten worden dagelijks ongeluk en existentiële vragen in een gezamenlijke houdgreep genomen. De beelden zijn dan ook afwisselend hemels en banaal: in de gedichten gorgelt de allerergste prut in het afvalputje, tongzoent iets in het schemerrijk, neemt de bevolking vanuit het zuidwesten toe en valt het verschil weg tussen berenshit en Bereshit.
Zijn dichtbundels bevatten niet alleen gedichten over het persoonlijk leven. Soms schrijft hij gedichten tegen een religieuze achtergrond, verzen als variaties op bijbelpassages. Ook vertalingen van dichters als de Amerikaan John Berryman krijgen een plaats tussen zijn eigen gedichten.
Rob Schouten maakte ook een zekere carrière in de poëzie: hij vertrok als gastdocent naar een Amerikaanse universiteit, maar gaf ook colleges aan Nederlandse universiteiten en begeleidde aankomende schrijvers en dichters. Als kunstredacteur verbond hij zich aan het dagblad Trouw, waarvoor hij niet alleen over poëzie schreef, maar ook over zulke verheven zaken als sport.
Het werk in citaten: