1: 1978-1985: "Laat mij niet in verhevenheden zinken"
Vanaf juli 1976 publiceerde Rob Schouten af en toe gedichten in het literaire tijdschrift Maatstaf, dat verscheen bij uitgeverij De Arbeiderspers. In 1978 debuteerde de toen 24-jarige Schouten bij deze uitgeverij met een bundel: Gedichten 1. De titel van Gedichten 1 kondigde al aan dat er ooit een Gedichten 2 zou verschijnen en ook de omvang (55 pagina's) getuigde van schrijflust. De gedichten pasten in de sfeer rond het tijdschrift Maatstaf: romantiek, eruditie, klassieke versvormen en ironie. Eén van de eerste gedichten in de debuutbundel geeft een impressie van Schoutens thematiek: de manier waarop het verhevene doordringt in de alledaagse werkelijkheid.
Als regenwurm zich voor de buien as een abri zoekt
en in zijn schedeldak de openbaring van Sint Koos aanboort,
Ophélia het laatste zegel van zijn broekriem komt verbreken
Dan volgt in profetische bewoordingen een opsomming van symbolische, religieuze en mythische figuren wier verschijning het einde der tijden voorspelt:
dan wordt het tijd voor een apocalyptisch wiegelied,
vermoedelijk is dan de bruidegom juist weergekeerd.
Doch de oprechte tuinkabouter profeteert
de toetsbaarheid van deze hypothese niet.
(p. 15)
In deze 'Profetie aangaande de laatste zaken' worden de bijbelse toespelingen in contrast gebracht met een 'tuinkabouter', kortom: het banale entert het verhevene. Ook in de laatste vijf gedichten - een sonnettencyclus, vertaald, zij het vrij vertaald, 'naar Le Christ aux Oliviers van Gérard de Nerval' - komt het metafysisch denken terug. De ik-figuur spreekt in wanhoop over de verlatenheid van de wereld en er klinken twijfels over het bestaan van God, maar niemand lijkt hem te horen:
Overal worden die godverlaten en vergeten vastelanden
Omspoeld door zee en maalstromen der opgewonden oceaan;
Een onbestemde bries steekt er de wilde flarden hemel aan
Maar in heel die uitgestrektheid blijkt er geen zuchtje geest voorhanden.
Ik zocht het aangezicht van God maar vond slechts een leeg oog,
Dat grondeloos en grenzeloos de eeuwig zwarte nachten smeedt,
Die deze wereld hullen in het buitenste der duisternis
(p. 52)
De echo van het scheppingsverhaal is onmiskenbaar. In meerdere gedichten is de Bijbel een inspiratiebron geweest, maar de uitwerking is vaak minder voor de hand liggend. Dergelijke verwijzingen hebben een vervreemdend effect wanneer er een versmelting van het christendom en de klassieken plaatsvindt:
'Antwoord mij!' zal Caesar schreeuwen tegen Jupiter Ammon,
'Wat is dat voor een nieuwe god, die men op de aarde losgelaten heeft?
En als het dan geen god is, wat is het dan voor demon?!'
Maar het geraadpleegde orakel moet voor eeuwig zwijgen
Want van slechts één ter wereld kan men uitlegging verkrijgen;
- - - Degene die de geest aan kinderen van leem gegeven heeft!
(p. 55)
Het is eigen aan het werk van Schouten om verheven zaken te benaderen vanuit een onverwachte invalshoek. De pessimistische toon van De Nerval (en van andere dichters van wie Schouten gedichten vertaalde en opnam in zijn eigen bundels) wordt doorbroken door in de bundel ook humoristische en geestige gedichten af te drukken. De literatuur ontkomt niet aan een dergelijke ontheiliging: de Helikon, de beroemde dichtersberg van de klassieken, wordt gereduceerd tot een toeristische attractie.
De Helikon beklauterd, niet uit Inspiratie
Maar gewoon eens vanuit Thespiae, lager gelegen,
Met muzen in een bos, dat blank staat van de regen,
Beestenweer en dus een grotere prestatie.
Op de top een helikopter rijke, luie Yanken,
Opgestegen in Hawaii-shirt; hun ruim miljoen
Is echter niet bestand tegen de gril van dit seizoen,
'Kijk daar, een arm student,' zie ik ze kleumend denken.
(p. 16)
Met hetzelfde gemak waarmee Schouten het dichterschap in het algemeen op de hak neemt, richt hij de pijlen van de spot op zichzelf:
Onder regie van God ontploft een nonnenkoor boven mijn lijk:
'Ruwe zeden, Rare woorden. Ga in, gij dichtertje van 't hemelrijk!'
(p. 47)
In het veelzeggende 'Ik dus' schetst de dichter de eenzame jeugd van een introverte jongen. Hij bewijst zich als volbloed romanticus:
Ik wist dat ik als enige iets werk'lijk wist
En viste liefst in 't allerdiepste water.
Uiteindelijk confronteert hij de lezer met de macht van de dichter en is het toch niet zo duidelijk wie nu eigenlijk wie voor de gek houdt:
Ik heb mij toen het aangenamer beeld gegund
Van u, geboeide lezer, aan wie ik mag berichten:
U bent er niet, al leest u mijn gedichten.
(p. 35)
Vervreemding vindt ook plaats door de woordspelingen die Schouten gebruikt. In 'Epiek', een gedicht opgedragen aan Gerrit Komrij (destijds redacteur van Maatstaf) schrijft hij:
Dan mocht, volgens oud kaarsrecht, je een dwerg verwekken,
Bij een dame die juist droomde van het Gulden Vlies.
Je brak voor haar een ei op het Wedgwood ontbijtservies
En dekte daarna het geweven tafelkleed met bonte vlekken.
(p. 44)
Binnen een jaar publiceerde Rob Schouten een vervolg op zijn debuut. Jeugdherinneringen spelen in Gedichten 2 (1979) een grote rol. Het openingsgedicht zet de toon voor de rest van de bundel, waarin de dichter opnieuw de draak steekt met zichzelf. Over een gedichtje dat hij in het poesiealbum van zijn zusje schreef, zegt hij:
Ik was destijds geen erg bevlogen schrijver,
Geen inspiratie en geen centje ijver.
Het versje voor de poesie van mijn zus
Kwam uit een voorbeeldboekje en ging aldus:
Dan citeert hij het achtregelige gedichtje in zijn geheel en besluit met twee eigen regels:
En nog steeds, in alles wat ik schaf
Maak ik me er liefst makkelijk van af.
(p. 11)
Dat blijkt niet alleen uit verhouding eigen regels-geleende regels: twee op drie, maar ook uit het goedkope rijm van die zelf gemaakte regels: 'schrijver'/'ijver', 'zus'/'aldus' en 'schaf'/'af'. Zelfbewust 'verraadt' de dichter zijn beroepsgeheimen wanneer hij beginnelingen een aantal nuttige tips geeft in 'Als je neukt ben je nooit alleen':
De kunst is met een titel te beginnen
die bij de eerste oogopslag al boeit.
Op grond waarvan dan zus uit zo voortvloeit
valt meestal later nog wel te verzinnen.
En waarschuwend voor de enthousiaste lezer die het gedicht wil analyseren, adviseert hij niet te eenvoudig taalgebruik en gepaard rijm:
Dan zal hij vóór de regels die nog resten
zijn blik nog even op de titel slaan.
Breng dan onmiddelijk de slotzin aan.
(p. 22)
De bundel Gedichten 2 is zowel in stijl als in onderwerpkeuze een voortzetting van zijn voorganger. Het bevat een groot aantal sonnetten, waaronder zeven (vrije) vertalingen van Franse gedichten. Schouten benut de eigenschappen van het sonnet om de gedichten een persoonlijk tintje te geven. Een bezoek aan zijn geboortehuis is aanleiding voor nostalgische opmerkingen, vervolgens - als het sonnet toe is aan de traditionele 'chute' - neemt de gebeurtenis een onvoorziene wending:
Later - ik schopte het geruisloos toch nog ver -
Reed ik met nog wat epigonen door mijn straat,
Ik zou ze wel eens even tonen waar ik werd
Gebaard. Mijn tegenligger luisterde te laat.
Ik reed tegen hem op. Maar, voor de goede orde,
Het huis was een verzekeringskantoor geworden.
(p. 33)
Schoutens derde bundel, getiteld Carabas ontvlucht, verscheen in 1982. In de toon van de gedichten is een omslag waar te nemen: de melancholie krijgt langzaam maar zeker de overhand op Schoutens tendens om zichzelf belachelijk te maken. Het resultaat van een dichterlijke crisis, vermeldt de voorflap. In het eerste gedicht vraagt de dichter om ideeën:
Kroon me met uitzicht, laat m'n blikken gaan
langs sfeerloze passanten, persberichten.
Gord me het nodige verleden aan.
En:
Plaats spiegels, figuranten, rekwisieten.
Ja, tuig mijn zintuigen met zin, en prop
mijn hoofd vol met ervaring en denkbeelden.
(p. 13)
Opvallend zijn de invloeden van bijbelse verhalen. Soms lijkt de dichter zich te identificeren met bekende personen zoals in het gedicht 'Emmaüsganger'. De ik-figuur is op weg naar huis 'en wel om iets te eten', maar niet lopend van stad naar stad zoals in het oorspronkelijke verhaal, maar - moderner - met de tram. De verhalen geven stof voor milde spot:
Nog steeds voegde zich niemand naast mij en ik dacht:
dan breek ik zelf desnoods het brood
maar hopelijk is het nog vers en zacht.
(p. 56)
Een ander gedicht ('Verregend dagje') begint als een verhaal van S. Carmiggelt:
Ik zet me tot een park hier in de buurt
en hang verveeld wat tussen schepsels rond.
Niets dat mij zo doeltreffend voortborduurt
op wat ik van begin af aan al vond.
Het miezert zachtjes. Weer niet voor een ark.
Ik mest een duif en slacht hem met een hark.
(p. 49)
De verandering uit zich niet alleen in introverter poëzie, maar ook in minder strakke dichtvormen: het sonnet maakte meer en meer plaats voor het vrije vers. Een uitzondering is de afdeling 'Entr'acte', waarin Schouten getuigde van zijn bijzondere passie: de muziek. De sonnetten die hij schreef naar aanleiding van bekende muziekstukken waren eerder verschenen in de bibliofiele uitgave Au bord d'une source, gedrukt door J. Meijer in Amsterdam in een oplage van 50 exemplaren. De Arbeiderspers-uitgave uit 1982 werd daarentegen gedrukt in een oplage van 1100 exemplaren.
In 1985 verscheen Een onderdaan van Thule. Rob Schouten werkte toe naar een eigen dichtstijl op basis van eigenzinnige en persoonlijke opvattingen over poëzie, die hij als een eclecticus overal vandaan haalde. Symptomatisch voor zijn belezenheid waren de uiteenlopende dichters van wie hij gedichten vertaalde. Hij gebruikte regelmatig Engelse, Duitse of Franse woorden of zelfs hele fragmenten.
In de hierna geciteerde strofe haalde hij een beroemd gedicht van N.E.M. Pareau aan (over een man die het treinraampje openschoof om zijn behoefte te doen) en citeerde hij de Franse auteur Valery Larbaud, wiens bekendste personage Barnabooth heette en tenslotte suggereerde hij dat de decadente Franse dichter Paul Verlaine het voorbeeld van de reiziger uit Pareau's gedicht navolgde:
Pareau! Daar gaat iemand uraten lozen
door het ontslotene portier. Larbaud!
Denk maar aan Barnabooth, zelf wagon-lit.
'Entends des pompes qui font les cris des chats.
Des sifflets viennent et vont comme en pourchas.'
Aldus wellicht op deze rails Verlaine.
(p. 34)
Een constante in het werk van Schouten was het gedicht waarin bijbelse en klassieke figuren optreden. Het waren gedichten die steevast eindigden met een wonderlijke draai:
Zoals wanneer opeens de zonneschijn
nee niet versaagt of ondergaat - Heer Jesses,
laat mij niet in verhevenheden zinken,
niet opwieken in amoureuze dras! -
zo hield de nacht het nog in 't midden,
duister gefluister, maneschijn misschien?
Dido en Aeneas in Plato's grot,
een tentje zonder schaduwen erop
en wij niet groter of abstracter bezig
dan wie nieuwsgierig om ons heen kwam gissen.
(p. 26)
Ook de dichtkunst zelf was een thema dat Schouten bleef bezighouden. Zo parodieerde hij naar hartelust de Vijftigers in 'Een gezang voor mijn doen':
Wanneer zal, Nieuw Jeruzalem, Uw heerlijkheid ik zien,
door ramen niet te tellen vogels en geen muggen,
Uw heerlijkheid boven de daken zonder die diaken
eronder, op zijn stok de omgekeerde muts, de must
- Geduld mijn ziel, geloof en beid - de must en trust
van kling kling kling, de muntenhekatombe, hedenochtend
bestemd voor stuntels ziek en arm, de chique charme
van weeuw en farizee
De dichter gaat op deze manier nog aantal regels door, waarna hij besluit:
Halleluja!
(Ei, een daverend vers)
(p. 19)
- Lees verder over Rob Schouten: 2: 1985-2004: "Ik doe dit graag maar meestal ben ik anders"
- Terug naar: Introductie