2: 1985-2004: "Ik doe dit graag maar meestal ben ik anders"
Rob Schouten publiceerde vier dichtbundels voordat hij in 1985 redacteur van het literair maandblad Maatstaf werd, een functie die hij tot 1994 vervulde. Hij werd op meerdere literaire terreinen actief: hij stelde een bloemlezing van Nederlandse en buitenlandse sprookjes samen en schreef columns in Trouw. Vanaf 1986 deed hij dat een jaar lang vanuit Minnesota, waar hij als gastdocent was aangesteld. Het boek Adres gewijzigd (1987) was het resultaat van zijn Amerikaanse ervaringen.
De vijfde bundel van Rob Schouten heette Te voorschijn stommelt het heelal (1988). Een van de dilemma's waarmee hierin geworsteld wordt, is het al of niet bestaan van de ziel. Voor de dichter is het een onbegrijpelijk fenomeen. Hij schreef over het verlangen naar een onvervalste 'kwaliteitsziel' in het gedicht 'Ziel', dat besluit met de regel:
Zo'n ziel die je nog eens verkopen kunt.
(p. 26)
In het gedicht 'Psychisch' neemt het begin van de tweede strofe deze thematiek op:
De ziel is slecht te vinden zonder ziel.
Toch hangt ze ergens uit, de anima,
de ba de ka, de forma substantialis.
Twee uur geleden was ze er en hoe!
Ze had de vorm van een tafelgesprek.
(p. 29)
De dichter benadert het existentialistische probleem op verschillende manieren. De ene keer is het een persoonlijke aangelegenheid, dan beziet hij het weer vanuit een hoger perspectief, zoals in 'Hoofdpijn der goden':
Uit het niet-kunnende glipt evenwel essentie.
Goden kunnen niet meer tegen het onbeschrijflijke
dat nooit gemerkt blijft, trillen en verstrijken van hun hebberij
die ze zo eeuwig al tot hoofdpijn heeft gediend.
En:
Slaafs slik ik het weg, vreemde, idiote zielepijn
die zich niet laat beschrijven door de wetenschap
er over een kwartier op een terras niet meer te zijn.
(p. 45)
Het probleem laat zich niet zomaar oplossen en ook eerbiedwaardige filosofen en schrijvers bieden geen uitkomst:
Volgens Montaigne maakt het niet veel uit
en is het tijdverspilling. Ik geloof
'm wel, de wijze. Neemt niet weg: bij mij
gaat het vaak anders toe en duisterder.
Soms besluit hij zich er maar bij neer te leggen:
maar even later wil ik het weer weten,
de grote taaie raadsels om ons heen,
en zit recht overeind, mijzelf tot last.
(p. 34)
De gedichten in de meer lichtvoetige afdeling 'Summertime' gaan over hooikoorts en klamme zomerdagen. Maar ook hier klinkt de serieuze ondertoon door:
Het hoogseizoen staat opgeklapt en dichtgevouwen
als een gepresenteerde rekening aan zee,
maar of het avond wordt of dag, of geen van twee?
Niemand heeft zin herinneringen weg te sjouwen
een werkzaam leven in, de toekomst, het passé.
(p. 14)
Een jaar later publiceerde Schouten de verhalenbundel Gestolen goed (1989). In 1992 volgden nieuwe gedichten onder de typerende titel Huiselijk verkeer. In de jaren voor het verschijnen was Schouten vader geworden van vier kinderen. Twee van hen woonden bij hun moeder in Duitsland, de andere twee bij hun Nederlandse moeder: letterlijk en figuurlijk veel huiselijk verkeer kortom. Sporen ervan zijn terug te vinden in de gedichten:
oogbollen achter paarse vliezen,
momentje de reptielenblik, die zuignap
aan de voorkant en vanonder vreemde jus,
goed voor onmenselijk gekrijs.
Een alles behalve lieflijke beschrijving van een baby en een beschrijving waarin religieuze overdenkingen op de achtergrond blijven meespelen, in dit geval al in de titel: 'Het Trotse Vader' klinkt als een variant op het gebed 'Het Onze Vader'.
Zo knalt waarheid uit het produktiefonds.
O lieve lelie, evangelie,
behouwen doses kraamvisite,
van wie je allemaal iets hebt
en hoe Het Trotse Vader voelt.
(p. 25)
Maar het reizen beperkt zich niet tot het manoeuvreren tussen twee thuisfronten. Ook denkbeeldige werelden worden bezocht en de dichter verkent zijn 'innerlijk landschap':
De nagel muurvast in 't gebit.
Iets tongzoent in het schemerrijk
en plechtig in de verte slaat de pols.
(p. 30)
Er klinken ook lichte twijfels over essentiële zaken zoals liefde en genegenheid.
Toch is een huwelijk geen telefoongesprek,
hoor ik mij zeggen. Jij: dit wel, nu hang ik op.
Viel je nu maar ontwricht in iemands armen
die ervan profiteerde. Maar met kuise hand
leg je thuis opgelucht iets neer,
gezeur.
(p. 20)
In hetzelfde kader wordt het schrijnende beeld van een peepshow beschreven onder de ironische titel 'Windowshopping':
Geen mens weet dat ze geen secretaresse
thuis bij de multinational geworden is.
Voor vijf vingers neemt ze graag op je plaats
en wijst gesmeerd elk de bekende weg,
bijpassende geluiden inbegrepen.
Je kunt het er zelf niet voor doen, meneer!
(p. 38)
In Bij bewustzijn (1996) heeft de dichter veel plaats ingeruimd voor bespiegelingen en persoonlijke inzichten. De toon van de meeste gedichten is rustig en de visie op het bestaan lijkt evenwichtig. Typerend voor deze periode van Schoutens dichterschap is een van de vier 'bijbelverzen', het gedicht 'Facile Princeps':
Ik breek een ongeopend dagje aan
en onderscheid daarin mijzelf, hard bezig
met de produktie van het universum.
Algehele schepping. Vaag, spontaan
geritsel. Ding na ding voorgoed aanwezig.
Ik knijp een oog toe en lijk zeer tevreden.
Nu kan ik weer naar bed - en hoor nog juist
mijn naam die lieflijk langs een wolkje ruist.
(p. 50)
In een andere afdeling ('Home video') is geen vereenzelviging met opperwezens aan de orde, maar worden dagelijkse zaken ondergaan en locaties opgezocht als 'het pannekoekenhuisje' en een 'ziekbed'.
Woelend in haast hetzelfde bed,
woeste gedachten in het trillend hoofd
en grijparmen naar dekens en naar kleren
die welterusten langszij zijn gaan liggen.
Maar volgens de dichter is dit een wezenlijk onderdeel van het bestaan - problemen waar ieder mens mee te maken krijgt. Dan zit er maar één ding op:
De dag vol frisgesteven mensen in,
als een kalmerende familiefilm
voor soortgelijke buren uitgebracht.
(p. 23)
Hij laat zijn gedachten gaan over leven en dood en oppert dat mensen veelal met dezelfde vragen, wensen en dromen bezig zijn. 's Nachts brengen universum en aarde de dichter op wisselende ideeën. Soms observeert hij het leven om zich heen:
De stad druilt richting kerst
en zit onder de glanzende tramdraden.
Patatvet dampt op weg naar beurse hoeren
die hakkelende auto's boezems tonen.
(p. 35)
... en soms inspireert een nachtelijk autoritje hem tot diepere overpeinzingen:
Gedachten muiten, niet nieuwsgierig naar zichzelf,
of moet ik god geloven? mijn gezin verlaten?
En:
Hoe alles. Hoe eenvoudig met veel moeite moet
wat automatisch gaat en hoe ik hier verken
dat ik intussen ooit was die ik ben.
(p. 44)
Ook in Infauste dienstprognose (2000) staan fantasie en vervreemding weer centraal. De enigszins merkwaardige titel - infaust is een medische term voor een ongunstig ziektebeeld - is karakteristiek voor het taalgebruik in Schoutens gedichten. De verwondering die taal kan opwekken wordt duidelijk in het gedicht 'Berenshit', waarmee de dichter duidt op 'Gods eerste woordje bij het scheppen' aan het begin der tijden (de tussen-n is een door de dichter geconstateerde zetfout in de Hebreeuwse benaming voor het eerste bijbelboek Genesis, Bereshit):
Maar na de nodige volksverhuizing,
klankverschuiving en gezichtspuntwisseling
sta je nog steeds te kijken van
direct zo'n treffende trouvaille,
want inderdaad: bereshit.
(p. 26)
In de eerste gedichten wordt over een patiënt gesproken voor wie taal plotseling een vreemd instrument is geworden:
Misschien een tandentieteltje. Raar woord:
misschien. 9 letteren, middelste c.
Cocon ook. Patiënt is wat 'schichtig'.
Of ik vergisme. Is het er veel doodser,
dag in dag uit, wie weet. Niet al die moeite
voor niks. Wil-ie alleen niet in de spiegel.
(p. 11)
De dichter vestigt daarmee de aandacht op de komische mogelijkheden van taal:
Overeind in het grasland en koemest
tussen kloven en knuppels profetisch,
ha daar picnict sjamaan op zijn tocht
naar genezing met dampende zwammen,
mompelt taal in het rijk der verbeelding.
(p. 56)
Schouten heeft, net als in Huiselijk verkeer (1992) een aantal vertalingen van gedichten van John Berryman in zijn bundel opgenomen. Eerder vertaalde hij ook poëzie van R.M. Rilke, Delmore Schwartz en Randall Jarrell. Schouten ontving de Herman Gorter-Prijs voor deze bundel.
In Apenlier (2004) worden beschaving en primitieve instincten steeds tegenover elkaar geplaatst. De dichter confronteert de lezer met de onaangename kanten van de maatschappij en laat zien dat het menselijk leven veel beestachtige trekken heeft:
Is een cheetah een lekker wijf
of de Mondscheinsonate balts?
Die vraag drijft ons het kooitje in
de vlakte op die nog meer vragen braakt:
merkten de leeuwen Middeleeuwen
en klassenstrijd? Hoe ben je wrattenzwijn?
(p. 57)
Soms maakt hij het contrast duidelijk door het taalgebruik eraan aan te passen:
Van Turks liefhebben weet ik niets
behalve dan dat het habibi is.
Dat fluister ik dus in je oor
en je holt niet beledigd weg
maar de vraag blijft
of ik je wil platnaaien
of samen uit een venster
naar de rozen kijken.
(p. 29)
De bedoeling is de mens in al zijn kaalheid te laten zien, zoals in 'Gestild verlangen', waarin een man 's nachts door de stad zwerft, 'omdat het wijfje van geen paren wilde weten':
Verdreven door het blauwtje
bespeurde ik Gods almacht in zo'n beetje alles.
Echter ter hoogte van het Rijksmuseum leed
ik aan een inzinking en stijve. Terugkeren
kon ook altijd, je hoefde vanzelfsprekend niet
te paren, praten had ook iets herkenbaars soms.
Maar de Almachtige dreef Satan uit mijn hart.
Zo kwam ik thuis tussen de knetterende vogels
en stortte me, rond zes uur 's ochtends, op mijn zwaard.
(p. 26)
De geschiedenis heeft volgens de dichter laten zien dat alles zich steeds herhaalt in een oneindige beweging. De dood van God manifesteert zich onder verschillende omstandigheden steeds weer:
Wij, gisse neefjes, voeden Hem geduldig
met uitgekiende zorgen.'t Habsburgs Rijk
zegt Hem niks meer en de vondst van de ziel
greep plaats tijdens Zijn dood, maar opgewekt
gaat Hij weer een tijdje mee
En:
Zo nu en dan heeft-Ie een zetje nodig
maar levensvragen en Hij is stand-by!
(p. 19)
Dan trekt de dichter uiteindelijk de conclusie:
Landlopen verleren dan maar
en lid van de Hortus worden
tot de ziel of zo me verlaat.
(p. 10)
- Terug naar: Introductie