"Een Koran van herinneringen": over Mijn vormen

Mijn vormen

De eerste dichtbundel van Mustafa Stitou Mijn vormen (1994) werd in de pers jubelend ontvangen. In eerste instantie werd de bundel uitgegeven door de Amsterdamse uitgeverij Arena en later heruitgegeven door de eveneens in Amsterdam gevestigde uitgever Vassallucci. Uitgeverij Vassallucci werd in november 1994 opgericht door Lex Spaans & Oscar van Gelderen. Beiden waren voorheen werkzaam bij Uitgeverij Arena, die was opgericht door Lex Spaans & Michel Vassallucci. Na het overlijden van Vassallucci in 1994 besloot het voltallig personeel op te stappen en een eigen uitgeverij te starten. Het fonds is gericht op exotische literatuur en oorspronkelijk Nederlands talent.

Stitou verloochent zijn afkomst niet. In de bundel wordt meermaals aan Marokko, de Islam en de Koran gerefereerd, zij het op een luchtige, af en toe zelfs baldadige wijze.

hij spaarde altijd dirhams en guldens uit
maar hij heeft een te mooi gezicht om gierig te zijn.
hij spaarde voor zijn zoons natuurlijk
en heeft er tien huizen mee gebouwd.

(p. 9)

De tegenstellingen Marokko tegenover Nederland en geloof versus ongeloof komen regelmatig aan de orde. Als hij zijn moeder ondervraagt over zijn zijn geboorte, antwoordt zij:

en: jij, Allah heeft je uit zand geschapen en aan ons
geschonken

Waarbij Stitou dan heel nuchter een andere verklaring heeft:

een heiden zou denken: uit het verzande sperma
van mijn vader misschien en jouw ei.
zo dacht ik ook

(p. 10)

Allah wordt met een hoofdletter geschreven. Verder is het hoofdlettergebruik in deze bundel ongeregeld: medina stelt het zonder hoofdletter, Fez heeft er wel weer één; sommige gedichten zijn helemaal in kleine letters gezet, andere gedichten hebben beginkapitalen. Terwijl Stitou naar het kunstenaarschap toegroeit (en naar de volwassenheid), groeit zijn moeder ook: zij neemt toe in omvang:

ik zie haar groeien. alleen ik word groter.

Deze moeder lijdt aan allerlei kwalen door haar omvang en gewicht en daarvoor moet de ik-persoon naar de apotheek om door haar zelf verzonnen medicijnen te halen.

ik leun tegen de aanschouwing die ik van haar heb.
met stukke zintuigen
roept ze voor elke beweging
haar adem en aarde aan:
Allah

(p. 11)

Moeders zijn er voor Stitou ook om de zaken te sussen; ze zijn multi-functioneel:

De moeder: drukdoende doofpot
schoot voor goed en kwaad, en dorst.

(p. 19)

Hun blijheid is kinderlijk: als hij een vest voor zijn moeder koopt op het Waterlooplein, roept zij:

kijk! het label!
(p. 31)

Alsof het om merkkleding gaat, terwijl het een wasserijmerkje is, wat en passant laat doorschemeren dat ze niet kan lezen. In een ander gedicht schrijft Stitou over moeders die op een bruiloft over 'hun gevangenen' roddelen, waarmee hij hun dochters en/of hun mannen bedoelt. Het twee pagina's lange gedicht 'Typisch' is totaal anders geschreven. Sterk associatief, met veel verschillende beelden en indrukken, die toch heel gemakkelijk in elkaar overvloeien:

Dagen na het circus maakt
terrasjeszon in een goed
huwelijk investeren aangenaam
giechelt de bebrilde japanner
verholen vals in een camera
vol van draaiorgel, gaan uniformen
vriendelijk met een vluchteling om
de firing squad stamelt, sist
heimelijk een noordafrikaan coke,
coke, extasy, slikt als hij háár ziet
gestolen mond, onder hoofddoek
aan vaders vette navelstreng, bevriest
de tweedejaars filmacademie
hen allemaal

(p. 16)

Hij gebruikt in een titelloos gedicht duidelijke straattaal als hij een vrouw probeert te versieren (of daarover fantaseert):

Met mijn pikkie, beste mevrouw, fikkie
                       steken in je kut


Ook hier de tegenstelling tussen dit directe taalgebruik en de 'zachtere' metaforen over de liefde:

in je oor fluisteren
          liefde moet maatconfectie zijn
ga je dan mee. Ik maak je een winterjas een zomerjurk
                                    die je precies zal passen

(p. 21)

In een reeks gedichten 'Voor Pasolini' beschrijft Stitou 'onmogelijk mooie' mannen bij een morsig café:

hier vingert een jongen zijn ziel
zoals hij weg moet volg ik hem

veegt mijn mond
zijn mond

(p. 26)

En dan op zoek, naar het einde:

omdat geen ander eind me invalt
zwerf ik naar het einde van de stad

zoek ik een ziel
in de vorm van een hoer

(p. 27)

Stitou maakt in zijn gedichten ook regelmatig gebruik van inspringingen. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Geheim', waarin hij op die manier beweging suggereert bij de eerste oogopslag. De dynamiek is meteen zichtbaar:

Net uit de moskee, geschminkt
                      als martelaar
                Jihad-gevoel
van gitzwarte krullebol tot in de tenen
            waarop
Jozef op zijn hoede
                de Albert Heijn
                                                binnen-
                                                                sluipt.

(p. 32)

In 'Grote mannen' plaatst hij de belangrijke mannen van de moskee in een ander licht:

Het Godshuis in het winkelcentrum
daar gaat het niet goed mee.
Berbers en bergbewoners kunnen elkaars bloed wel drinken.


Dan vermoedt de lezer een religieuze twist, maar nee, het gaat banaal over subsidie. Hij vervolgt weer met een tegenstelling, deze keer tussen godvrucht en consumptie. De Ramadan, tijd van vasten, aan de éne kant; de Hema met de vermaarde varkensworst aan de andere.

Het gerucht gaat dat de bergbewoners een eigen Godshuis
         zullen stichten.
Honderd meter verderop, tegenover de Hema.
(Vaart maken, Ramadan komt eraan.)

(p. 34)

Stitou beschrijft hoe in Marokkaanse kroegen wordt gefantaseerd over Parijs en over het onbekommerde leven in de Franse hoofdstad:

tussen hongeren en drank
een poging te schilderen
in het openbaar te fantaseren
over de dood en kijk, daar gaat Colette...

(p. 36)

Hij schetst het tafereel van een bruiloft.

Onder make-up bedolven bruid
verhoort onbewogen kindertijd.


De moeders roddelen met elkaar, iemand tapt moppen, een danseres vrijt met djinns, en de muzikanten zijn verveeld. Er zijn kinderen en er is een man in de schaduw van de kapotte straatlantaarns:

wie de ander bevoelt
plukjes gras vindt in zijn kruis
weet zich verraden op de bruiloft
van zijn geliefde, vlucht.

(p. 38)

Over de Marokkaanse afkomst schrijft hij in een van zijn bekendere gedichten:

Zomaarcafé op Rembrandsplein:
concrete warmte, goddeloze gezelligheid

vóór elk biertje roep ik
gewoontegetrouw gewichtslooslauw
binnensmonds bismillah

ik ben de jonge Marokkaan
en zijn anderstalige gedachten


Zijn ouders herinneren hem 'steeds marginaler' aan Marokko. Hij bevindt zich tussen twee culturen. Als hij op vakantie op het strand in Marokko is, zijn er:

     duizenden ouders

die menen dat ik onherkenbaar
een man geworden ben, waarover

ik fantaseer

(p. 44)

Het gedicht 'Voor Eva' lijkt over het geboortedorp te gaan en over het vergankelijke. Hij spreekt over 'het dorp een nest van peuken'.

de stegen modderige zenuwen
maar zij is gauw gevonden
haar ramen zijn kreupel
haar onderkomen heet wintervacht


zoals zij de liefde afbreekt
haar mond vreet haar op
ze droeg je als los polshorloge

(p. 45)

De schrijver omschrijft het als achteloosheid. Met het land, laat hij ook het geloof achter. In het gedicht 'Negentien' zegt hij, dat de fantasie voortaan de plaats inneemt van 'wat wordt vergeten'.

Het heilige kwijt
ben ik als een droom


Waar dan nog iets te vinden? Hij constateert dat zijn angst een 'ander onderkomen' zoekt.

een Koran van herinneringen
aan een moskee
poëzie?

(p. 47)