"Zeebiefstuk is zandvrij": over Mijn gedichten

De tweede bundel van Stitou Mijn gedichten (1998) verwijst minder vaak naar Marokko en geloofszaken. Thematiek en versvorm zijn gevarieerd. Onderwerp van het eerste gedicht is het rariteitenkabinet van David Wilson:

Hangop Sandaldjian, geboren in Armenië
Amerikaans staatsburger, vioolleraar, kerft
als zijn kinderen slapen, verkeer verstomt
de paus of Sneeuwwitje en de zeven dwergen uit

in een menselijke haar, korreltje zand
die je met een loep bekijken kunt

(p. 7)

Er is ook veel variatie in de presentatie van de tekst, in de typografie, door middel van voetnoten, cursivering, kaders om gedichten, of een kleine foto gemonteerd in een regel. Het dichterschap wordt gerelativeerd in 'Dit gedicht heeft geen eeuwigheidswaarde', waarin en passant ook de onrust in de Afrikaanse buurlanden van Marokko op de korrel wordt genomen.

Hartje duisternis stampvoet een vorst
(voormalig onsterfelijk, vet & fotogeniek)
stervende (maar de luipaardmuts onverzettelijk
op zijn hoofd) in luiers door het paleis

jankend: rebellen naderen niet schoorvoetend.
Zorgde de aarde maar voor onverbiddelijker opschudding!


Kan de potentaat nog vluchten?

O prive-vliegtuigpiloot
is er in de wereld
in de wereld nog een land
om naar uit te wijken?


Het antwoord van Stitou op de vraag of zo'n land bestaat, luidt

Dat is er. Marokko.
(p. 9)

Naast afwisseling in de lay-out, heeft Stitou in deze bundel ook de tekst zelf anders behandeld. Af en toe hakkelen zinnen of lijken er teksten door elkaar te lopen, zoals in het gedicht over het maken van 'Siroop'. Alsof de kok tijdens het bereiden aan iets anders denkt, zo schuiven vreemde elementen zijn recept binnen:

Roeren * Flevoland * Flevoland op zondag Of
of het zoet en zuur naar smaak is?

(p. 10)

'Zomaarcafé 98' slaat terug op het gedicht 'Zomaarcafé' in de vorige bundel. Hierin verklaart hij dat zelfs zijn moeder niet weet waar hij vandaan komt en vervolgens:

Vraag het mijn exen maar mij
is het te doen om het zijnde als
zijnde. Wunder aller Wunder

In naam van Allah een pilsje drinken
beschouw ik als het maken van een musical
over Nazi-Duitsland (en deze vergelijking)


Over zijn stijl zegt hij:

stellig is mijn stijl niet
gedachten zijn van taal
en niet van een natuurlijke

(p. 17)

Hij vertelt tussen neus en lippen door dat enkele vreemde woorden (door zijn critici gezien als typisch Marokkaans Nederlands), zoals 'zitbeeld', 'stamland' en 'rotshol' niet door hem verzonnen zijn, maar overgenomen uit een historisch naslagwerk. Ongebruikelijke woorden blijven het natuurlijk wel. Zo gebruikt Stitou ook ongebruikelijke vormen, 'zijn vormen' maken 'zijn gedichten' om de titels van zijn gedichtenbundels te parafraseren. Zo'n nieuwe vorm zoekt hij voor het gedicht 'Het samendoen banden smeedde bestaat niet (of nauwelijks) meer':

Mosque shape alarm clock & kip
kip kip kip

kip met patat Zinnen ook zonder zang.


Bovenstaande regels zijn juist heel 'zangerig', door de alliteratie op z en het klinkerrijm op i, a en o. Bovendien treden weer inspringingen op, cursieve en romeinse letters, een voetnoot die bijna net zo lang is als het gedicht - en zelf ook een gedicht is, nota bene over het dichten:

Een eigen toon is een totalitair trekje,
rijm is geweld (daarom vinden hersens het fijn)


Evenals:

wie ongewapend het oerbos inloopt
komt niet terug met een bundel gedichten

(p. 19)

Hij schrijft meer over poëzie en dichterschap in deze bundel. De lees- en kijkervaring maakt hij zelfs tot onderwerp van een gedicht:

Kijk
U ziet woorden

Daar boven
De rand van het papier

Een vertrouwde wand
Het plafond

(p. 21)

De Griekse filosofie komt naar boven in het gedicht 'Hyppas'.

Zeebodem werd ik en hoe!
Ik ontdekte in een berekening
van het hahaharmonieus heelal
het onttoverend toevallige getal!

Verschrikkelijk vrij ineens
verrees ik, porde een vlammenzee op

(p. 24)

Voedsel en levensmiddelenwinkels vormen nu ook een bron van inspiratie. Over de onderwaterakkers in de visserij gaat het gedicht waarin zeebiefstuk een rol speelt.

Zeebiefstuk is zandvrij en
al is er geen R in de maand
goed want in 1825 werd wilde
gestructureerde visserij


en dan laat de beginregel zich verklaren door de laatste regel van het gedicht

wordt opgevist snel vetgemest
van zand verschoond marktwaardig

(p. 26)

'Iets van Oetker' geeft een blik in een supermarkt, waarin een verliefde student ronddoolt.

Plots geeft iets van Oetker
zich niet prijs en ik zie

de rechtenstudent
van wie de zuivel nog niet is

mompelen
cassière drie

een puber maar sprekend Shelly Winters


Dan volgt een beschrijving over de sprakeloze student. De cassière lijkt zijn blikken te beantwoorden, tot hem duidelijk wordt dat die aandacht is gericht op de 'latin lover' die achter hem in de rij staat. Als de bedrijfsleider arriveert, is het kijkspel afgelopen.

de band wordt gestart
de middelen moeten uit de mand

(p. 29)

Dagelijkse zaken, als het boodschappenlijstje, komen soms als 'ready made' in Stitou's gedichten terecht:

Snelfiltermalingkoffie
Hotelcake Speculaas
of van die noten

Port of meer Pils
Pedaalemmerzakken
Vershoudfolie Afwas

(p. 30)

Ook dagelijkse gevoelens, zoals de twijfel over het eigen lichaam, worden uitvoerig belicht:

Heeft hij/zij te? de spiegel in getuurd?
hij was op zoek, ineens nieuwsgierig
naar de omvang van ogen


Dit gevoel (van 'dikte') achtervolgt je:

Overal is zij geweest vandaag
was zij er, was zij - hoe zeg je dit -
was zij dik
(p. 32)

In sommige gedichten spelen wonderbaarlijke gebeurtenissen zich af.

door niets of iemand
u welgezind
is een wereld intussen
om u heen gezet

of om verwonderd over te zijn
is in de gracht een boom
gaan liggen

Over het lezingen-circuit:

wat is de dood?
acht uur en de spreker komt er zo aan
hij moet de auto nog parkeren
zegt zijn vrouw die thee zet alvast


Ter geruststelling, volgende week is er weer een lezing:

volgende week al weer
astraal reizen

(p. 34)

De sectie 'De aarde is een nat balletje' opent met een gedicht dat tijdens de poëziezomer 2003 in Watou (België) te beluisteren was in de plaatselijke kerk.

Op een schoteltje schittert honing
met water verdund

verbazingwekkend keurig eromheen
een kettinkje aaneengeregen mieren,

hun kopjes in de zoete
zonvergoten zee

- Verzuipen zich de dolzinnigen

(p. 37)

Voor humor is eveneens plaats.

Het is onzinnig. Taal sticht
Zo mestte naast me eens een moeder
leek het, moedwillig haar dochtertje vet
toen pal voor het meisje mijn oog
op het zakje fritessaus viel:
acht en romig

(p. 40)

En dan constateert hij dat de 'z' zoek is.

Nu zit ik in de catering.
Klinkt dit vaag?

Ooit studeerde ik fi-lo-so-fie


Dat is natuurlijk nog vager, vooral in vier lettergrepen en je kunt er niet van leven. Van de catering wel en dat kun je ook eenvoudiger zeggen.

Ik leef ervan,
ijsjes scheppen.

(p. 45)

En door catering ontmoet je nog eens iemand:

Mevrouw ... Schopenhauer
staat er! schrik ik van geluk
(op een Zorgbeurs nota bene!)
heeft u ook citróen?
(als ik 't niet dacht)

ik zie dat ze het weet

(p. 47)

Nog meer ijs en spot in de filmijsjesindustrie (een gedicht in de vorm van een brief aan een geliefde):

Liefste hoe vergaat het deze zomer
jou en onze ijsjesindustrie?
Hier is het hel maar wel leuk
om te zien die Sahara z.o.z.

Pal ervoor staat gelukkig met zwembad
onze kasba met kamelen

(p. 50)

Dan moeten er mensen gecast worden die passen in het decor.

vanwege zijn merkwaardige blik

hebben we hem maar gevraagd
voor de hoofdrol van proevende
verrukt verraste Blauwe Man
En hoe nét echt!

Je moest onze dikbetaalde maar
ongebruikte Surinamer eens zien!

(p. 51)