"Onze afkeer van klonen": over Varkensroze ansichten

Het vooromslag van Varkensroze ansichten (2003) is opgesierd met een close up van een varkensbuik (foto van Tjeerd Moolhuijsen). Een provocerend omslag voor een schrijver van Marokkaanse afkomst, vooral gezien het feit dat volgens de Islam het varken niet 'halal' is, dus onrein en oneetbaar. Deze bundel bestaat uit lange, verhalende gedichten; de dichtregels zijn langer, de gedichten beslaan vaak meerdere pagina's. Allerlei ervaringen en thema's komen aan de orde. Archeologie, het verleden, de rol van godsdienst, wetenschap: de gedichten halen veel overhoop. De bundel begint laconiek met 'Het zingen vergaat je' (een gedicht in vier delen).

De intrigerende grotschilderingen liet ik voor wat ze zijn,
intrigerende grotschilderingen, en ik installeerde mij
met de krant van gisteren op het lege terrasje
voor het hotelletje


De dichter bevindt zich in de Ardèche, waar zijn huidskleur en naam de uitbaatster van het hotel kennlijk niet bevallen. Er zijn andere gasten:

een drietal mannen verscheen
(met tassen uitpuilend van onduidelijk gereedschap)
nam druk pratend en gebarend plaats aan een tafeltje
links van mij.
(p. 7)

Zij worden niet 'opvallend onvriendelijk', maar juist 'hartelijk' ontvangen. Voor het eerst gebruikt Stitou hier een letterlijke herhaling van regels als motief: de regel over een 'briesje' dat zijn 'huid liefkoost' verbindt de verschillende ervaringen in het gedicht met elkaar. De mannen zijn speleologen die nieuwe grottekeningen hebben ontdekt.

De eigenares bracht mij een café au lait
en ik protesteerde, om haar het bloed dieper
onder de nagels vandaan te halen, in het Engels,
fittest lingua franca. Gentlemanlike
waarschuwde ik haar voor darmgassen:
met lactose weet mijn DNA zich geen raad.

(p. 8)

Ondertussen zetten de speleologen hun gesprek voort, totdat een kentering intreedt en het vuur over de ontdekking uit het gesprek weg-ebt.

(Getuige was ik,
vermoed ik achteraf,
van een historische gebeurtenis
van de hoogste orde maar door onze soort
een plaats in onze geschiedenis ontzegd.)

De speleologen, gekweld vroegen ze zich af:
naar wie van ons wordt de grot vernoemd?

(p. 10)

De laconieke stijl - vaak verhalend, anekdotisch - wordt ook toegepast op een verslag over een ontmoeting met een andere dichter, B. Zwaal, die altijd kleine letters gebruikt voor zijn gedichten en dus b. zwaal heet. Stitou schreef een gedicht over hem in zijn stijl. Hij laat hem vertellen hoe hij in zijn eigen huis een dief betrapte:

De dichter, associatief-'metafysisch' op z'n minst anti-anek-
dotisch dichter greep in een reflex een paraplu uit de paraplu-
bak richtte die als een pistool op de dief terwijl vanuit diepste
afzettingen ineens de kreet opsteeg die onze held in de oneindig-
heid van zijn kindertijd oorlogjespelend de straat in slingerde:

                                                                 Hands up!
(p. 11)

Waarna hij schrijft over zichzelf als de tweede held in dit gedicht, 'de andere dutchbatter':

Ofschoon de conceptueel-'anekdotische', op z'n minst anti-
metafysische dichter met vrome verwondering naar de hemel
kon kijken, ontging hem wat er op de aarde gebeurde niet: twee
kutmarokkaantjes, met andermans scooter aan de haal. Een tel
stond de held verlamd op zijn balkon. Toen vanuit de diepste
pijnafzettingen van mijn ziel, maakte er zich een kreet los die
hij loeihard de nachtelijke straat in slingerde, een kreet in zijn
'moedertaal', en het was de stem, de toorn van mijn old man:

                                                                 Maak dat je wegkomt, hoerengebroed!

(p. 12)

Hoogwaardigheidsbekleders met een schare ambtenaren om zich heen maken geen indruk op de dichter, als hij in zijn geboorteland zijn zogeheten 'bevestiging verklaring vernietiging geboorteakte' komt afhalen:

De ambtenaar ontving mij met het gebruikelijke
mengsel van verveling en hooghartigheid,
maar het deed me niets, ik voelde me geen seconde
vernederd, onderworpen aan zijn willekeur,
stopte hem van harte een bonus toe

En zo wordt hij officieel 'ongeboren' verklaard, terwijl buiten een nationale feestdag losbreekt en alles in gereed wordt gebracht voor de komst van de vorst (zoals iedere stad dat doet, omdat je nooit weet in welke stad hij zal verschijnen).

Buitengekomen vertraagde ik, al bestond ik niet,
noodgedwongen mijn pas: vier generaties onderdanen
overspoelden de straten, achter dranghekken die langs
de weg waren gezet dromden ze samen, opgewonden
fluisterend.

(p. 14)

De sectie 'Ansichten' bevat onder andere een reeks kaarten aan een bovenbuurvrouw, bijvoorbeeld over Jan Arends:

Een man die kon treiteren als geen ander. Was in die tijd
ook van de partij. Sloeg iedereen om de oren. Toen zijn bril

en kunstgebit in orde waren vertrok hij met zijn uitgever.
Zijn gedichten een langwerpig snoer van sobere woorden zijn
afrekeningen. De meeste personen weten dat.


Het prozagedicht 'Flirt' speelt bij een theatergroepje:

Ik maak, sinds een maand, deel uit van amateurtheatervereni-
ging Varkens. Ik speel een engel. Tekst heb ik niet of nauwe-
lijks, maar het is een cruciale rol is mij verzekerd: ik ben de
engel (vuur) die niet knielen wil voor Adam (aarde). Ik draag
een zwarte maillot waaraan een zwart hemdje is vastgenaaid,
waaraan twee zwarte vleugels zijn bevestigd

(p. 23)

Helaas, bij de eerste pas breekt één vleugel af. Bij de kleermaker ziet hij een verleidelijk meisje. De kleermaker/vader brengt de gefantaseerde romance echter meteen om zeep:

De afgod stond al achter mij, legde zijn hand op mijn schouder,
wenkte naar een bord hoog boven het meisje, en toen zag ik
het, roodomzoomd, het bord: Verboden met mijn dochter te
flirten.

(p. 24)

In een gedicht voor voorvaderen en onderburen worden geloof in een god, angst voor de dood en het ontzag voor de geboorte samen gebracht in 'het verwarde geloof' dat 'door onze genen' spookt:

mijn onderburen hebben mij toevertrouwd te zullen en willen
reïncarneren in een diersoort met zachte zeden, in bijen.

(p. 25)

Behalve recepten levert Stitou ook praktische tips over het redden van schapen:

een weer op zijn poten gezet verwenteld
schaap kan direct weer omvallen:
rol daarom het dier op de ene,
en na enkele minuten op de andere
zijde,
over de buik

(p. 31)

Het aan Jan Hanlo verwante gedicht 'Moedertaal' heeft strofen als:

(Kom je, koe?) haash
haashhaash
haash
haash
(p. 35)

De verschillen tussen Oost en West, Noord en Zuid treden ook naar voren in dromen. In de 'Ansicht uit de Droom & Vreesman', vertelt zijn moeder dat ze 'jarretelles, visnetpanty, slipje en bh' draagt (de tekst is overigens ambigu: dit kan ook op de jonge verkoopster slaan).

                                    En, op de hoogste verdieping,
op een varkensroze fluwelen kussentje, M.'s zachte
geslacht - Menno Buch, een zonnebank torsend
op zijn schouders als een kruis, daalt langs,

schijnbaar toevallig. Ziet kans haar in de billen
te knijpen. Ze schaterlachen, verdwijnen. Het preutse
oosten en wellustige westen hebben elkaar gevonden?

(p. 37)

In een ander gedicht keurt een meisje hem geen blik waardig.

Maar het deed me niets: sinds elf september
ligt een Arabier nu eenmaal slecht
                                 in de markt.

(p. 39)

Het absurdisme van de droom is het absurdisme van de beschaving geworden. Stitou springt er vrolijk en baldadig mee om, al zijn sommige gedichten tragischer en triester van toon, zoals een gedicht dat begint met de regel 'Qua techniek een niemendalletje: hoe horizon':

onze reisgids zweeg over deze desolate
plaats van steen. Doelloos, louter steen.

Resten van een verlaten vesting? Herinnering,
'ingang tot de ziel', kaatst af op het glanzend oppervlak.

De kiekjes die wij maakten die dag, ik houd ze vast en kijk ernaar:
leegte doortrekt onze brede lach.


Het lange, acht pagina's tellende gedicht 'Shakespeare, missselijkmakend of omtrent Onze Vader, details' speelt met christelijke figuren, geloofszaken en literatuur:

Oudtestamentische nonsensgeschiedenissen,
gods doortrapte wonderwerken,
de vage, zichzelf weersprekende evangeliën,
het ontwerp waar de godsfilosofen de mond
vol van hebben - één
giechelende naakte inboorling
veegt alles van tafel!

(p. 56)

Diverse prominenten komen voorbij: Sir James Mackintosh, historicus en filosoof die over Shakespeare zegt: 'Er is iets in die jongeman dat mij interesseert'. Ook Duitse schedelkundigen, Darwin en professoren in de plantkunde vinden een plaats in deze reeks korte gedichten, waarin abrupte overgangen en plotselinge uitroepen voorkomen. Soms zijn het korte, geestige puntdichten.

16
Onze Vaders liefde voor de poëzie,
Milton Byron Shakespeare Shelley -
Zijn liefde voor de poëzie
duurde tot Zijn dertigste.

17
De gesprekken met topfokkers -
openbaringen!

18
Onze Vader, vriend van talrijke mindere
collega's, heren met geweldige geheugens
maar kleingeestig, halve wetenschappers,
wandelend met god.

(p. 56)

Tussen geloof en empirische wetenschap kan de dichter geen keuze maken. Geen van beide biedt uitkomst.

27
Het lijkt of mijn geest een of ander
apparaat is geworden voor het
destilleren van algemene wetten
uit grote verzamelingen feiten.

(p. 58)

Zelfs in gedichten en in Shakespeare is geen waarheid meer te vinden.

Shakespeare.
Misselijkmakend.


En dit lange gedicht sluit verrassend af.

Insectenetende planten insecten voerend,
Onze Vader, tegen het einde van zijn leven,
notitieboekje bij de hand, zielstevreden.

(p. 59)

'Avondland' vertelt van een grappig voorval, met meer gewicht dan in eerste instantie lijkt.

Onze afkeer van klonen: fossiel
van een voorbije beschaving?


Hij en zijn geliefde krijgen een schok:

toen uit een beautysalonnetje zij opdoemde, en,
zoals dat heet: als twee druppels water

leken ze op lekaar, mijn ware en zij,
deze opgemaakte ander, als twee

druppels
water.
(p. 60)

Ze voelen zich allebei gekrenkt, maar er valt niets over te zeggen, het is 'onbespreekbaar, taboe'. Dubbelgangers zijn een soort dieven. Dubbelheid is iets anders:

Dronken knielt hij neer en neemt
haar penis in zijn mond, de armen
uitgestrekt langs zijn borsten
strelend. Slikt haar zaad door.

(p. 62)

In 'Momentopname' neemt Stitou het oud-testamentische verhaal van Noach op de korrel. Hier is Noach een nervous break-down nabij, opgejaagd door zijn door verlatingsangst gekwelde god, is hij druk doende de dieren zijn ark binnen te lokken en dat in regels die ontleend lijken aan Armando of Toon Tellegen:

                                              Ze willen
geen spelbreker zijn, dieren, voegen zich
in heilsgeschiedenissen zodat men ze verder
maar met rust laat.

(p. 65)

Vier pagina's zijn gewijd aan een gedicht over de kindsultan die bewijst dat de vreemdeling niet bestaat.

De kindsultan, op zijn veel te ruime troon, een mantel
van zijde om zijn bloot lijfje, de sultan spelend
met zijn besneden piemel.

(p. 68)

Er vindt een confrontatie plaats tussen de Oosterse en de Westerse consul, die beiden het geheim van de dood kennen en van dode materie. De Westerse consul, schedelkundige, is bang voor chaos. Hij beschrijft hoe hij de wereld en de Arabier ziet:.

Tweevoetig wezen. Apathisch, fatalistisch,
desalniettemin bij voldoende leiding
uitmuntend werkdier: den Arabier.

(p. 70)

Door wie moet de kindsultan zich laten raden?

De Koopman op een mat, kruislings met de beenen
onder het lichaam, met zijne koffie en zijn
Koran,
de Dansende Neger, de Sprookjesverteller,

de Slangenbezweerder - ze bestaan niet.
De Vreemdeling
bestaat niet.

(p. 70)

Een deel van deze gedichten gaat over de vader en de moeder van de dichter. In 'Gelijken' ziet Stitou zijn moeder op een andere manier: ze praat met vriendinnen over de hulpeloosheid van mannen.

zingt er zich een meisje los uit haar
zwijgzaam lichaam gedrongen ootmoed
schittert over haar gerimpeld gelaat
wanneer ze aan het bidden is en ik
kom storen waar ligt de sleutel die brief


dan herkent ze hem soms niet en kijkt naar hem op met een glimlach

een glimlach die duizelt die glimlach is stout!
(p. 72)

Over zijn zieke vader en doodsangst schreef hij in 'Niet samen scheiden we licht en donker', waarin duidelijk de niet vervulde verwachtingen van de vader over zijn zoon naar voren komen:



ik heb een zoon voortgebracht van as
en ik schamperde binnensmonds
je god vergat een deugd
het hebben van een hobby

(p. 75)

Het laatste gedicht uit de bundel heet 'Affirmaties' en is een aaneenschakeling van geruststellende regels:

Ik kan stoppen met roken en ook als het niet lukt
ik hou van mezelf ik ben niet dik niet klein niet rond
ik heb een zachte pik zat liefde in mijn kippenborst
(p. 79)

En het besluit met:

ik hou van mezelf ik ben dik
ik ben klein
ik ben rond

(p. 81)