1: "Bruisend door de pasta heen"
In 1989 verscheen Het veerde, de eerste dichtbundel van Anne Vegter. Elk gedicht in de bundel was geïllustreerd met een prent door Annelies Alewijnse. Net als bij haar eerder gepubliceerde kinderboeken werd de stijl van de gedichten als licht, geestig en eigenzinnig ervaren. Toch waren de onderwerpen lang niet altijd even opgewekt. Wie in een bloemkool het patroon van de hersens herkent, bijvoorbeeld, zoals in het gedicht 'De bloemkool', roept verwarring over zich af:
Hersens, dacht ik bij de bloemkool.
Doormidden? vroeg de groenteboer.
En met het in mijn ogen wonder in een zak wist ik
buiten niet precies meer wie ik was en waar ik woonde.
Ik keek goed uit mijn ogen hoe ik
verdraaid goed uit mijn ogen keek
en liep op het geluk af naar een straatnaam die
in spiegelbeeld geschreven was? en die ik niet ontcijferde.
(p. 11)
Erotiek is een thema dat Vegter niet alleen in gedichten laat voorkomen. In 1994 verscheen Ongekuiste versies, een bundel erotische verhalen. Van haar kinderboek De dame en de neushoorn werd eens gezegd dat het eigenlijk een liefdesgeschiedenis beschreef die, voor wie het zo wilde lezen, boordevol met erotische woordspelingen zat. In Vegters gedichten komt erotiek soms expliciet, soms min of meer verhuld, aan de orde, zoals in 'Een dagje uit' (uit Het veerde).
Slang die over de buik grasduint,
aan de nek parkeert, de tongs rug
streelt, verdraait om het oor:
'U wilt uit neuken met de neus?'
(p. 19)
In zes gedichten volgt Anne Vegter een en hetzelfde personage, Sarah Bertha (Dolly) Rootmond. Zo ziet de lezer haar in haar dromen, in het café, bij haar liefdesavonturen en tijdens haar zwangerschap. Achter grappige beschouwingen en stoere formuleringen gaat een triest leven schuil. In het gedicht De avonturen van Dolly, zwanger (I) mijmert Sarah Bertha over haar zwangerschap en de man die haar na een kortstondig avontuur achterliet.
Liep in het bos, een pad wees naar het kerkhof.
Ik zag misschien een naam voor Charley:
Henrikus Verwater? Josephus Marie Kamsteeg?
Roelof Wiebe Brons? Zijn vaders naam kwijt (Peereboom?
snel met de tong, 't ultieme ding erin en bruisend
door de pasta heen, niet meer gezien).
(p. 29)
Ziekte en dood, ouderdom en verval toont Vegter als onvermijdelijke zaken, die echter liever nog even uitgesteld moeten worden. Of toch niet? De keuze tussen jong - en met de eigen hand - sterven of de dood afwachten en dus oud en met gebreken sterven is kennelijk moeilijk te maken:
Geslaagd, jong, roos desnoods,
in het rijbewijs blijf ik geldig tot
nieuwjaarsochtend twintignegenentwintig,
in het paspoort vroeg scheel, rond de veertig, dat is:
ruim tien maal vijf maal driehonderdenzestig dagen
tenminste bijziend naar toilet, dan bril.
(p.35)
Niet alle gedichten van Anne Vegter zijn zwaar onder een luchtige vermomming. Ook simpele alledaagse taferelen komen aan bod, maar worden op een verrassende manier bekeken, zoals in een gedicht over een logeerpartij: 'Tijdelijk Ergens'.
Nu woon ik Tijdelijk Ergens. Maar deftig:
er staat een schemerlamp, een bed van eikehout.
(Mooi zo. Wie deden het erin?) En iemand
die tegen me zei: 'Je moet sterke
alcoholhoudende drankjes nemen, dat past.'
Om aan het bed te wennen heb ik Beerenburg gedronken,
zo uit de fles en soms glaasjes.
(p. 17)
Vegter omschrijft de werkelijkheid als vrolijk en dreigend tegelijk en de dagelijkse wereld als een bron van verveling èn verrassing. Soms fantaseert de ik-persoon in deze gedichten over het leven van een hond, zie bijvoorbeeld het gedicht 'Verzaak mijn koninkrijk van verf en olie': het hondse is wellicht een aantrekkelijk alternatief voor het gewone dagelijkse bestaan?
Misschien dat ik mijn bed uit moet,
het is zelfs heel waarschijnlijk: ergens in de dag
wacht mij een afspraak, een of ander honds tafereel.
'Waarin Anne Vegter een schilderij toont', dat met de moeders,
wie weet verkoopt het.
(p. 37)
- Lees verder over Anne Vegter: 2: "Ik sterf al jaren van nieuwsgierigheid"
- Terug naar Introductie