2: "Ik sterf al jaren van nieuwsgierigheid"
In 2002 verscheen de tweede dichtbundel van Anne Vegter: Aandelen en obligaties, een titel die eerder verwacht wordt op een boek over de financiële markt. De bundel is opgedeeld in vier afdelingen met de titels 'Preferente aandelen', 'Voorkennis', 'Fusiekoorts' en 'Effectief rendement'. Titels die echter ook begrepen kunnen worden als metaforen van het bestaan.
Net als in Het veerde is de thematiek in deze bundel zeer divers: de dood, ziekte, relaties, ouder worden, kinderen, koninginnedag.
Anne Vegter gaf in een interview aan dat zij als dichter graag gebruik
maakt van de dialoog. Vanwege haar interesse in drama, maar ook omdat zij iemand
is die graag een gesprek voert met zichzelf. De zeven gedichten in de eerste afdeling van Aandelen
en obligaties zijn gewijd aan de relatie met een zekere Enricus. Ze lijken te bestaan uit flarden van gesprekken vol emotie. Er is pijn om stukgelopen verhoudingen en over het gevoel in de steek te zijn gelaten, zoals in het voorlaatste gedicht van de cyclus. De tekst van deze gedichten is - ongebruikelijk voor poëzie - gecentreerd op de pagina, zoals in een inhoudsopgave.
overwhelming pain
historisch besef heeft er geen enkele invloed op
en, riep iemand al:
het gaat wel over
of
je komt er uiteindelijk beter uit
vergeet die berusting
als de boodschap van je Enricus klinkt
( p. 16)
Met grote nuchterheid en op de toon van een quizmaster wordt deze Enricus voorgesteld als een man die om vergeving komt smeken, terwijl een kolibrie 'uit zijn hart omhoog schoot' - dezelfde kolibrie die op het omslag is getekend door Geerten ten Bosch (de zogeheten Loddigesia mirabilis ofwel de mannelijke vlagkolibrie), zij het met een klein verschil want in de tekst is kolibrie gespeld als 'kolibri'. Zo'n man heeft ze dus gehad, zegt de ik-persoon en zij concludeert:
u mag mij schrijven
u kunt de blauwdruk van mijn liefdesproject
ook telefonisch bestellen
( p. 17)
Nuchterheid en humor zijn ook de wapens van Vegter tegen dood en verderf. In het gedicht 'Requiem' wordt een gesprek over de dood gevoerd:
altijd verkouden als het over dood moet
En reutelend of hoestend wordt verklaard dat niet dood zijn bedreigend is, maar doodgaan:
de finale en of ik er rekening mee houd.
'Ik heb er,' hoest ik, 'geen moeite mee,
het hangt er krek van af
welke gast je aan je raam krijgt.'
(p. 25)
In het gedicht 'Dan' klinkt de ik-persoon welhaast teleurgesteld na een ontmoeting met de Dood die over haar 'veld' liep, maar toch verkoos haar te passeren.
Steekt mijn veld diagonaal over,
die dood heeft ontwikkeld vorminstinct,
slaat af, god mag zijn bestemming weten
en ik hád natuurlijk opengedaan:
ik sterf al jaren van nieuwsgierigheid.
Als hij me de dood gaf
waar een woord voor staat,
dan.
(p. 22)
Hoe je met een onheilstijding over je eigen gezondheid omspringt, beschrijft zekere 'Mevrouw Vegter' in het gedicht 'Particuliere tijding'. De aanloop van het slechtnieuwsbericht wordt met precisie en herkenbaarheid beschreven:
Hoop, op een koopje: u kunt er oud mee worden.
'Hoe breng je zoiets?'
Die in die witte jas telt verpletterend zonder nut
zijn schema's na: ze heeft het, ze heeft het niet,
ze heeft het niet, ze heeft het.
Dat zeker weten nog een leugen afdwingt
in de gedaante van ontroering, het zonnetje
prikt feestelijk door de ramen der kliniek.
(p. 23)
Zodra er kinderen in een gezin komen verworden ogenschijnlijk simpele dingen tot grootse zaken. Over het gedicht 'uit eten' en enkele andere autobiografische gedichten merkte Anne Vegter eens op dat ze niet zo zeer gaan over de dagelijkse kleine maar daardoor grote frustraties waarmee je als moeder te maken krijgt, maar veeleer 'over het verschil tussen wat je wilt en wat er gebeurt':
Die eten ook werkelijk niets van wat wij vinden dat zij te eten hebben.
En al die oude koek, daar lachen zij om.
Courgettes, jij durft! Of aubergines, het moet niet gestoorder worden.
Hoe de ik-persoon ook haar best doet de kinderen verantwoord eetgedrag aan te leren, uiteindelijk levert capitulatie de meest dankbare reactie op: een uitje in 'De Berehap', ('daar frituurt men maagvulling') eindigt met een enthousiast:
Ja, met met met met met!
Waarbij echter wel de vertwijfelde gedachte blijft hangen:
Ik vind het goed, wat ben ik er voor eentje?
(p. 37)
De bundel eindigt met de afdeling 'Effectief rendement': een lang, vijf pagina's tellend gedicht: 'Fuga'. Vegter schreef het al jaren eerder voor een kinderfestival, waarvoor ze het uiteindelijk niet gebruikte. 'Fuga' schetst een levendig beeld van drie kinderen die een dagje naar het strand gaan. De talrijke herhalingen doen denken aan kindergedichten of -liedjes.
Een duin, een trap en zo kom je er
Je klimt op het duin en dan ben je er
Je bent er als je boven staat
Je staat boven
Boven is nog niet genoeg
Niet genoeg aan boven heb je,
je wilt hoger
Drie kinderen staan op een duin,
staan daar en gillen: vlieger!
Gillen een vlieger een gillende vlieger gillen vlieger vlieger gillen willen
een vlieger
gillen zij,
in de lucht met uitzicht op hen
(p. 46)
Het vervloeien van verschillende genres in het werk van Anne Vegter wordt duidelijk geïllustreerd in het gedicht 'De rode schoenen' dat in 2003 gepubliceerd werd in een bibliofiele uitgave van uitgeverij 117-234. Een moddervette en verwende prins speelt hierin de hoofdrol. Hij is zo dol op eten dat hij elke dag door zijn eigen schoenen zakt, tot wanhoop van zijn vader de koning. Zoals dat hoort in zekere sprookjes loopt het slecht af met de prins, terwijl er in dit geval toch sprake is van een onverwacht gelukkig einde, al is het dan niet voor de koningszoon in kwestie. Op last van de koning tovert de tovenaar twee schoenen 'waar de prins van zal lusten', een opdracht die de tovenaar letterlijk neemt.
Aan de voeten van de prins staken twee rode schoenen.
Hard als goud, zoet als suiker.
Het hele hof geurde er naar.
Die onbedaarlijke prins werd smoorverliefd.
'Die schoentjes zijn om te smullen!' smakte de dikzak.
Hij rekte zijn tong uit.
Hij wilde bij zijn schoenen.
Hij kon niet bij zijn schoenen.
Hij wilde.
Hij kon niet.
Hij werd mager van verlangen.
Steeds magerder.
Op een dag was de prins op.
Maar de rode schoenen leefden lang en lekker gelukkig.
p. [3]-[4]
- Terug naar Introductie