Anne Vegter en de kritiek

In 1991 verscheen Het veerde, de eerste dichtbundel van Anne Vegter. In 2002 verscheen een tweede bundel: Aandelen en obligaties. De pers reageerde lovend op de gedichten van Vegter, die daarnaast al bekend was door haar kinderboeken, proza en door een toneelstuk. Voor haar gehele oeuvre ontving Anne Vegter de Rotterdamse Anna Blaman-Prijs 2004.

De poëzie van Anne Vegter heeft grote overeenkomsten met haar beide 'gekke en grappige kinderboeken', schreef Guus Middag in zijn recensie van Het veerde in NRC Handelsblad van 20 december 1991. Zowel haar 'zogenaamde kinderverhalen' als haar poëzie kenmerken zich door 'een voorkeur voor verwondering en vervreemding, voor springerige overgangen en voor rare taal'. En hij vervolgde: 'Het begint al meteen met de titel. 'Veerde' is, denk ik, geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord - al wordt in de bundel nergens gezegd wie of wat er dan in welke hoedanigheid veerde. Het zal de verbeelding geweest zijn die speels en lichtvoetig de vele invallen tot poëzie maakte. In een eerder stadium heette deze bundel 'Het achterhoofd gefronst', naar een regel uit een van de vijftien gedichten: geen lekker lopende titel, maar wel een aardige aanduiding voor de tegendraadse blik waarmee Vegter naar de dingen kijkt. Haar gedichten zijn grillig van karakter. Het zijn mengsels van dromen, dagdromen, dagboek fragmenten, spontane invallen, bizarre tafereeltjes en surrealistische scènes, voor wie tenminste de vrolijke kant wil benadrukken. Men kan er ook hedendaagse ontreddering, verwarring en onbegrip in lezen, want daarvoor zijn haar gedichten 'open' genoeg'.

Guus Middag liet ook enige kritiek horen: 'Grilligheid is Vegters grootste charme en, zoals wel vaker bij grillige dichters, ook meteen haar grootste zwakte. Haar gedichten hangen met hun vele losse zinnetjes tegen het scenario aan; en als de sprongen tussen die zinnetjes te groot worden, valt er van het scenario niet veel meer te maken'.

Arjan Peters merkte in een vraaggesprek met de dichter in De Volkskrant van 7 juni 2002 op dat logica vaak ver te zoeken is in de gedichten van Anne Vegter. 'En zelfs als die er is, kan het nog gebeuren dat sommige lezers Vegter ervan verdenken hermetisch te zijn. Nu is het wellicht even wennen, een auteur die dermate wars is van stoplappen dat ze geen zin kan schrijven of ze maakt er iets van. Maar de lezer die bereid is alert te blijven, wordt beloond met een uitbundige humor en zeer verrassende formuleringen'.

Tom van Deel was in een artikel in Trouw van 22 juni 2002 positief over Het veerde: 'Springerig werk, waarin de chaos maar nauwelijks beteugeld lijkt en veel mogelijk is dat in meer gebonden poëzie niet zou lukken. De latere boeken van Vegter maakten duidelijk dat het poëtische principe van vrij en eigenzinnig taalgebruik aan alles wat zij schrijft ten grondslag ligt'. Van Deel was net zo positief over Aandelen en obligaties uit 2002: 'Vegter is dichter in hart en nieren, zij wil zichzelf met haar taalgebruik onophoudelijk blijven verrassen en geniet zichtbaar van merkwaardige wendingen of botsingen in het woordgebruik. De humor en de zinnelijkheid van haar werk maken het tot iets heel bijzonders, iets waar een grote bekoring van uitgaat'.

Over Aandelen en obligaties kon Ilja Leonard Pfeijffer weinig negatiefs opmerken in zijn recensie van 28 juni 2002 in NRC Handelsblad. Al lijkt zijn opmerking dat Anne Vegter 'flodderpoezie die nergens op lijkt' schrijft daar in eerste instantie niet op te duiden. Hij merkte op: 'Haar verzen zingen niet, zijn niet bijzonder klankrijk of beeldrijk, maar ze buitelen bizar over elkaar heen als gedachten en ze spetteren van het leven'. Volgens Pfeijffer komt 'haar springerig precieze stijl het beste tot zijn recht in de titelloze, zevendelige cyclus waarin verslag wordt gedaan van relationele wederwaardigheden met ene Enricus, "machtig verledenmetjemeedrager". Alleen al aan de typografie kun je zien dat deze gedichten zijn opgebouwd uit wilde flarden gesprek en gevoel en niet uit uitgebalanceerde zinnen die rustig en romig naar een conclusie slenteren'. Hij vond deze poëzie spannend en levendig: 'Ik wil meer van zulke flodderpoëzie die nergens op lijkt'.

Op 13 september 2004 werd bekendgemaakt dat het Prins Bernhard Cultuurfonds Rotterdam aan Anne Vegter de Anna Blaman-Prijs voor 2004 toekende: 'De kracht van Anne Vegter is dat zij haar lezers de vrijheid geeft om de wereld anders te interpreteren, om te fantaseren, om te kijken hoe twee, drie of nog meer dubbelzinnig een ervaring kan zijn. Ze is een schrijver die een moment oppakt, het als een vreemd voorwerp in haar hand houdt, het van alle kanten bekijkt, zich omstandig verbaast en die vervolgens een poging doet een zo groot mogelijk deel van deze veelzijdige werkelijkheid in woorden samen te vatten'.