Spamfighter

In haar derde bundel Spamfighter heeft Anne Vegter haar luchtige, vaak vrolijke toon behouden. Maar evenals in haar eerdere bundels hebben sommige gedichten een zware ondertoon die door de regels heen schemert. De gedichten in de bundel zijn alfabetisch geordend, wat op het eerste gezicht op een zekere willekeur lijkt te wijzen. Maar bij nadere beschouwing lijken de keuzes voor de in Spamfighter geplaatste gedichten toch weloverwogen. Vegters poëzie kent een sterk autobiografische inslag en het lijkt soms alsof de dichteres de lezer een  openhartige blik gunt in haar privéleven. In het gedicht 'Oude mams 1' is de ik-persoon op bezoek bij haar dementerende moeder:

Achter spinnenhaar ontsloten meisje, mamma, tuinkapster . Kent me omdat ik haar hand spel: h e d r a

Of ik overgangen hoor van stilte naar aarde
Dove! Wanneer leeft het stelsel van ze?
(p. 27)


De dochter begrijpt haar moeder, die soms onsamenhangende dingen zegt, niet meer. Ze heeft het vermoeden dat het wel eens spoedig afgelopen kan zijn met haar moeder:

Het stelsel lokt, weet ze. Of iemand ervan terugkomt.

De dood speelt ook in andere gedichten uit de bundel een belangrijke rol. Zo komt in het gedicht 'Moratorium' een man bij de ik-persoon langs die twee jaar eerder begraven is. Veel is er niet duidelijk over de persoon die is overleden en wat hij bij zijn postume bezoek komt zeggen is al even onbegrijpelijk:

Toen we van Johns begrafenis thuiskwamen
was er niemand die vroeg: wilde John eigenlijk wel leven?

<was gek op begrafenissen geweest, ging altijd,
had er misschien ineens genoeg van gekregen>

hij kwam nog een keer op bezoek, twee jaar later.
Zei: 'Mijn moeder zeurt lang door over die kachel,

neem haar niet kwalijk, ze mist me.
Ze denkt dat afbetalingen helpen tegen pijn.'
(p. 20)

De dood is niet het enige onderwerp dat Vegter aansnijdt. Net als in haar eerste twee bundels is de thematiek in Spamfighter zeer divers. Zo krijgen we jeugdherinneringen te lezen, zoals in het gedicht 'Negen':

moest ik worden, negen werden ik en mijn vriendjes later, allemaal vroeger, maar ik zei neger, een woord

dat wel kon, ik word negerrrrrrr. Mijn broer fluisterde
in me dat ik groot werd en dat onder de haren van grote

kunstenaars kleine oren zitten en dat oren groeien
als je ouder wordt maar die van kunstenaars blijven klein
(p. 21)

En herinneringen aan de opstandige tienerjaren:

We deden eerst ook dat we geen naam hadden; voortaan konden we helaas niet naar hen luisteren als ze ons naar bed stuurden, als ze iets van kinderen moesten

dan ging dat even niet. We wilden snel in rook opgaan, het kon doorzichtiger. Roken moesten we en doen dat we geld hadden en dat we tabak kochten voor onder de zestien. We waren onaanspreekbaar, we sloegen handboeken op.
(p. 29 - de opmaak in de bundel is anders)

Maar het gaat ook over het schrijven van gedichten:

Er was op deze dag - tijdens de lunchpauze - iemand die wilde weten hoe ik werk, waar mijn ideeën vandaan komen. Tja, zei ik het probleem van de idee is

dat de problemen precies daar beginnen waar ze vandaan komt, neem nu dit gesprek.
(p. 7 - de opmaak in de bundel is anders)

De humoristische toon die Vegter in haar eerder bundels aansloeg, ontbreekt ook in Spamfighter niet. In het gedicht 'Gamma' speelt de ik-persoon een spel waarin onbegrijpelijke vragen worden gesteld. Alleen al het bedenken van mogelijke antwoorden op de vragen heeft een komisch effect:

Het werd die dag weeg zaterdagavond met kans
op zingeving. We deden het hart-en-hersenspel:

1. wat is het verschil tussen Puma en Hema
2. noem iets wat lijkt op verlies

3. beschrijf op gretige toon een tatoeage
(p. 14)

En in het gedicht 'Night on a pond (nacht aan een vijver)' staat humoristisch commentaar tussen haakjes in een monoloog geplaatst:

Fuck <hèhè> de volmaakter schepping, luister nou! <not very scientific, I'm afraid> in een kikker <when the mix is done, I have little idea what the sources were>.
(p. 22 - de opmaak in de bundel is anders)

De haakjes die Vegter gebruikt doen denken aan HTML, een computertaal, die weer verbonden is met de titel van de bundel. Zoals een emailprogramma ongewenste berichten wist, zo plaatst Vegter in Spamfighter commentaar dat ogenschijnlijk overbodig is tussen haakjes, alsof er overheen gelezen kan worden:

en toch niet. Zo zetten we de dag aan <duik in een golf naar bodem zonder oppervlakten, dieper, later komen of de bodem wegdouchen

en de nacht uit je mond> klokken op vertrek.
Voor mijn bloedjes leg ik broodjes naast aarde, vingers naast bekers.
(p. 19 - de opmaak in de bundel is anders)

En:

Verwelkom ze als familie <beschuldig ze, veront-
schuldig ze>, Het gezicht van de vreemde is er geen.
(p. 15)

Het lijkt wel de innerlijke stem van de ik-persoon die als 'spam' beschouwd wordt en die door de haakjes buitenspel gezet wordt. Zo ook in het gedicht 'Tabitha koemi':

We parkeren bij de hoofdingang, vandaag hield ik de globe liever even voor gezien
<neervallen en vanuit die positie opkijken>. We aarzelen, zij, vooruit ik ook.
 
(p. 32)

In haar eerdere werk deed Vegter al aan Tonnus Oosterhoff denken. In
Spamfighter wordt dat gevoel alleen nog maar meer versterkt, vanwege de parlando-stijl, die ook kenmerkend is voor Oosterhoffs werk. Zijn invloed is duidelijk terug te vinden in gedichten waarin de personages met elkaar praten: 

'Niet spotten met de geur van behoud. Je oma gebruikte al kamfer.' 'Maar mams, dat was om motten weg te houden.'

'Ik weet het, wat denken de suppoosten?'
'Yes madam, very strong air indeed. Shall I ask for chief?'

En:

Naar Delft, zeg je. Speciaal op zoek naar iets?
Crisis, Delft. Snap je waarom ik niet wil?

Je kunt er op zondag een kogel en per seizoen
een koninklijk graf bezoeken of de dichter.

Hoe hij het maakt. Goed hoor, hij poolt.
Hij drinkt, typt, bept, eet, mailt, valt loopt.

Maar Vegter wijdt ook letterlijk een gedicht aan Oosterhoff. In het gedicht 'O' ontmoet ze de dichter:

Toen ik aanschoof zat Tonnus er al een tijdje,
dat zag ik aan de servetten die op het punt stonden
van de tafel te vliegen. Tonnus vouwt prima.
(p. 23)  

En toetst ze haar eigen leven aan het werk van Oosterhoff, waarbij ze haar bewondering niet onder stoelen of banken steekt:

Toen Chris lachte om een gezamenlijke herinnering
zag ik dat hij nodig naar de tandarts moet.
Ik wist dat ik dat vorig jaar ook dacht
toen we elkaar tegenkwamen op de Coolsingel.
Hij meende dat ik het goed voor elkaar had,
de zaakjes op orde, dacht hij. Zover ik weet
heeft Tonnus nooit geschreven over zaakjes
die op orde kunnen zijn. Hij heeft het in dat ene ding
'Robuuste tongwerken, enz.' wel over Leopold
en citeert er oa de onderlinge vertedering. Schrijft:
'O, denkt O, kon dit maar een eigen maaksel zijn;'
Hij schrijft het zo goed op dat je niet eens meer denkt:
zou ik dat doen? Hoe dan? Met welke middelen?

 - Klik voor een uitvergroting
Vooromslag van Spamfighter (2007)


Terug naar Introductie