2: 1975-heden: "Ik leg een knoop in mijn oor"
Voor de bundel Mij best: gedichten 1971-1975 uit 1976 (opgedragen aan Barbara, 'deelgenote') selecteerde Vinkenoog verschillende motto's, ontleend aan Alexander Pope, Nikos Kanzantzakis en Herbert Marcuse. Het gedicht 'Waterpaswoorden en zegenend vuur' kreeg een motto mee van Swami Vivekananda: 'mens, o mens, indien gij God zoekt, zal de mensheid behouden blijven; indien gij God vergeet, zal de mensheid ten onder gaan'. In deze periode hield Vinkenoog zich bezig met spirituele zaken. Zijn poëzie veranderde van toon. Vinkenoog probeerde het goddelijke te verwoorden: ademhalen, dansen en zingen. De schepping werd beschreven: hoe het was in den beginne.
Voor het licht werd.
Voor de schaduwen vielen.
Voor het geraaskal begon.
Toen de taal nog een mens was.
(p. 60)
De gedichten werden bezwerender van aard en richtten zich steeds meer op gevoel en bewustwording. Ook werden ze langer. Een typerend gedicht is bijvoorbeeld 'De kunst van het sterven', dat zes pagina's in beslag nam.
Nu wacht je af, let op:
laat die stemmen verstommen,
de bezige gedachten,
de waaiende wensen,
de buitenste stromen.
Nu stroom je naar binnen toe
open. Open, niet sluiten -
voorzichtig: bij elke stap
(p. 57)
Het kleine boek Made in Limburg (1978) bevat één lang gedicht geschreven voor de opening van de tentoonstelling van twee kunstenaars. Er staan een aantal strofen in die illustratief zijn voor het steeds opnieuw beginnen van de kunstenaar/dichter.
Ik leg een knoop in mijn oor
en vergeet wat ik weet:
een onbeschreven blad
waar de tijd geen vat op heeft.
(p. 5)
Daarnaast komt de eeuwige zoektocht naar voren.
vanaf het begin
opnieuw te ontsluiten
openbreken openhouwen
openbaren
(p. 7)
De uitgave Jack Kerouac in AM*DAM (1979) is een acrostichon of naamdicht. De beginletters van de strofen vormen samen de naam Jack Kerouac. Het gedicht is in 1979 voorgedragen door Vinkenoog in de Melkweg te Amsterdam tijdens het festival 'One World Poetry P'79'. Jack Kerouac (1922-1969) is de Amerikaanse schrijver van het boek On the road (1957) dat door de beat- en hippiegeneratie werd beschouwd als een soort bijbel met richtlijnen voor het moderne leven. Vrijheid en de zoektocht naar het eigene, soms te vinden in andere culturen, stonden daarbij centraal.
Poolshoogte: 1978-1980 uit 1981 was een tweetalige bundel: de Nederlandse gedichten gingen vergezeld van Engelse vertalingen.
Druk werk.
Licht valt.
Open baar.
Printed matter.
Light gives.
Openly.
(p. 5)
De Maandagavondgedichten (1985) werden in keerdruk uitgegeven met gedichten van Hans Dankers. Vinkenoog publiceerde daarin een nieuwe reeks gedichten die deden wat hij van gedichten verlangde: ze zuchtten hardop, gilden, huilden, fluisterden en deden soms alsof alles verkeerd was.
Hij weet. Van niets.
Hij zegt, denkt, hoeft niets,
ga maar, beweegt hij,
doordring maar
probeer maar
a en o en e
iedereen
mee
(p. 14)
De dichter blijft zichzelf serieus nemen.
Luisterend naar mezelf
en de stemmen van anderen
geheel mijzelf alleen
in een spiegel zo diep
als elk ander oppervlak
Verrukt van woorden
onder druk van woorden
(p. 27)
Op het eerste gehoor (1988) verscheen bij uitgeverij De Beuk. Deze bundel benadrukte opnieuw het orale karakter van poëzie. Er stond onder andere een ode in aan jazzpianist Keith Jarret. Met name het Köln-concert, een opname van diens concert in Keulen die iedere zichzelf respecterende jazz- en popliefhebber in die tijd kende, werd door Vinkenoog naar voren gehaald.
Parelend op de rand van stilte
ligt de wereld gebed in muziek,
verrast door onverwacht ontmoeten,
zoekend zich een weg.
(p. 26)
Volgens de dichter werd er geen prijs gesteld op 'ware woorden', hij kon niets anders dan gedichten vinden:
Winkelend naar ware woorden
vond ik niets dan gedichten.
Hebt u geen andere, zei ik,
teleurgesteld.
(p. 27)
De bundel Het hoogste woord kwam uit in 1996 en werd samengesteld en ingeleid door Coen de Jonge. Het was een bloemlezing uit het werk van Vinkenoog, maar de meeste gedichten werden niet eerder gepubliceerd. Wel waren ze al vaak op het podium uitgesproken door de dichter zelf. In het gedicht Amsterdam riep Vinkenoog op tot genieten. Hij citeerde daarbij een compositie van Henri Purcell:
Geniet, geniet, geniet. Rejoyce, rejoyce, rejoyce.
Jouir: genieten en klaarkomen, klaar met je leven
(p. 73)
Uit 'Nieuws 1990':
Nog nooit is het nieuws zozeer jouw nieuws geweest,
jouw bloedeigen leven op deze planeet,
te weten wat je doet -
aan al wat leeft een oprechte groet.
(p. 83)
In 1998 verscheen Vreugdevuur, een combinatie van tekeningen en gedichten van Vinkenoog, samengesteld door Coen de Jonge. Muziek en ritme speelden vaak een rol in de gedichten van Vinkenoog, zo ook in het gedicht 'Impromptu'.
Weerloos van de muziek
liet ik mij strelen
het eerste lucide orgasme
(p. 17)
Zijn idolen bezong hij uit volle borst. De fans kwamen ook aan bod deze keer, in de winter nog wel:
Blauwbekkend koukleumend
staan ze voor het Amstelhotel
de fans en groupies
stampvoetend verjagen ze de kou
wachtend op een oogopslag
(p. 27)
Er is niet alleen gejuich, er is ook afscheid, zoals in het gedicht 'Groet'
In de pijnkamer van onthechting
overgave deint en dreint
(p. 41)
De bundel De ware Adam (2000) droeg als ondertitel 'gedichten rond de eeuwwisseling' en werd opnieuw samengesteld door Coen de Jonge. Het betreft niet eerder gepubliceerde gedichten die werden gemaakt ter gelegenheid van tentoonstellingen, als eerbetoon of voor een speciale gelegenheid. De bundel opende met een terugblik op de eeuw.
Fosfor stikstof dioxide
transistor beeldbuis chip
mobility! flexibility! incredibility!
(p. 7)
Hierna volgde een 'profielschets' van de dichter:
dichter van de afscheidsgroet
dichter van de levende adem
uitje voor scholieren
gesprekspartner voor
verslaafden en gedetineerden
(p. 9)
Werd Amsterdam in de eerste bundel van Vinkenoog nog afgeschilderd als een vreselijke plek, een oord voor de dood, aan het einde van de twintigste eeuw bezag hij de stad met meer genade:
Soms hangt alles zo roerloos en bloot
zichzelf te wezen, dat je erbij
moet zijn geweest om er meer
van te willen weten.
(p. 13)
Vinkenoog sprak zich krachtig uit over de met sluiting bedreigde kunstenaarskolonie in de omgeving van Amsterdam, Ruigoord:
Het oordeelt niet. Het ziet. Het wordt uit de lucht gegrepen,
om ooit weer ter aarde worden besteld. Het vuur
heeft het nakijken, en het water is al eeuwen geleden bedwongen
(p. 15)
In het gedicht 'Café Eylders, juli 1950', een café gesitueerd nabij het Leidse Plein in Amsterdam, spreekt hij over collega schrijver Remco Campert.
Hij stelde me aan zijn vriend
Rudy voor: ze droegen beiden
identieke rode jasjes
Rudy is generatiegenoot en collega schrijver Rudy Kousbroek.
Later schreef hij hilarisch
over mijn werk bij de Unesco
en gaf me een rol in Tjeempie
(p. 21)
Tjeempie was de titel van een vrijmoedige persiflage op het kunstenaarsbestaan waarin Campert de seksuele escapades van een meisje met allerlei auteurs beschreef. Vinkenoog besteedde in deze gedichten ook aandacht aan andere collega's: hij schreef over De Duivelsverzen van Salmon Rushdie en over schrijver Adriaan Morriën. Langzaam sloop er meer stilte en rust in Vinkenoogs poëzie, alsof na het de strijd een moment van terugblikken is aangebroken:
Vogelvlucht leven. Geen zout meer op mijn staart.
(p. 37)
- Terug naar Introductie