Vondels leven en werk vanaf 1640
Overgang naar rooms-katholicisme
Na het vernietigen van de Constantinade schreef Vondel in 1639 aan zijn vriend en leermeester Hugo de Groot dat hij 'aan de treurspelen vervallen' was. In deze bewoordingen klinkt het alsof de dichter drama een minderwaardig genre vond, terwijl hij vanaf 1637 bijna onafgebroken aan toneelspelen heeft gewerkt. De eerste in de reeks was het omstreden drama Gysbreght van Aemstel, opgedragen aan De Groot, uit 1637. Het stuk was geïnspireerd op Vergilius Aeneïs en had net als het klassieke voorbeeld als doel zijn stadsgenoten een beroemde held uit de geschiedenis te laten zien waar Amsterdam trots op kon zijn. Het stuk ging 3 januari 1638 in première ter inwijding van de nieuwe Amsterdamse Schouwburg. Dat was later dan gepland omdat er volgens protestantse predikanten teveel paapse invloeden in het stuk te zien waren. Om hen tegemoet te komen werden enkele tableaux vivants weggelaten, zoals die waarin de bisschop in vol ornaat ten tonele verschijnt. Het stuk was desondanks een succes en werd vanaf 2 januari 1641 jaarlijks opgevoerd en die traditie werd pas in 1969 verbroken (Smits-Veldt, 1986, p.xxvii-xxxi; Schenkeveld-van der Dussen, 1979, 284-289).
De beschuldiging van de predikanten over de roomse ideeën in de Gysbreght, was echter niet helemaal uit de lucht komen vallen. Vondel had nauwe banden met Hugo de Groot en diens denkbeelden hebben waarschijnlijk ook invloed gehad op die van Vondel. De kerkelijke twisten die Vondel waarnam binnen de doopsgezinde gemeente stonden de dichter tegen en dit maakte het mogelijk dat hij zich meer aangetrokken voelde tot de rooms-katholieke kerk, waar de gelovigen één autoriteit erkenden: de paus. Bovendien gingen veel intellectuelen uit zijn kennissenkring over tot het rooms-katholicisme, mede door de propaganda van pastoor Marius van het Begijnhof. In Amsterdam groeide het aantal katholieken sterk: in 1650 vormden zij al bijna acht procent van de bevolking. Rond 1640 is Vondel officieel tot de katholieke kerk toegetreden, een ommekeer die hem niet altijd in dank werd afgenomen en die duidelijk terug te vinden is in zijn werken, zoals in Brieven der heilighe maeghden, martelaressen (1642).
Door Vondels bekering bekoelde zijn vriendschap met Hooft en Huygens en de pogingen van Vondels kant om het weer goed te maken, lijken niet erg veel succes te hebben gehad. De reactie van Barleaus op de aan Huygens opgedragen vertaling van de Aeneïs luidde: 'bloedeloos, zonder merg, en met gebroken lendenen'. Desondanks functionneerde Vondel toch gedurende een groot deel van zijn leven min of meer officieel als stadsdichter.
Eerste publicatie van Vondels lyrische poëzie
Zijn bewonderaars verzorgden in 1644 de eerste bundeling van Vondels dichtwerk onder de titel Verscheide gedichten. Drie jaar later verscheen er een tweede deel op de markt, waarin volgens het voorwoord ook de gedichten waren opgenomen die in het eerste deel achterwege waren gelaten. De gedichten waren echter niet uitsluitend van Vondel, bovendien werd zijn overgang naar de katholieke kerk in de inleiding niet welwillend besproken. In reactie hierop publiceerde Vondel in 1650 een uitgebreidere versie van zijn Poëzy of verscheide gedichten, compleet met een theoretische verhandeling over het de dichtkunst: Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, een uitzonderlijk stuk waarin Vondel aanwijzingen geeft om het dichterschap tot vakmanschap te verheffen.
Een officieel teken van erkenning ontving de dichter in 1653, toen hij vijfenzestig was, op het Sint Lucasfeest. Hij werd door collega-dichters, schilders en liefhebbers gekroond met een lauwerkrans als Hoofd der Poëten. Het was een symbool voor de vereniging van de schilder- en dichtkunst, een zaak waarin Vondel met zijn werk een belangrijke rol speelde (Smits-Veldt, 1986, p. xxxi-xxxiii; Schenkeveld-van der Dussen, 1979, p. 284-289).
Vondel als tragedieschrijver en vertaler
In de periode 1639 tot 1670 - en eigenlijk tot het einde van zijn leven - schreef Vondel naast gedichten ook veel toneelwerken, veelal bewerkingen van bijbelse onderwerpen, zoals Gebroeders (1640), Joseph in Egypten (1640) en Lucifer (1654), maar ook actuele historische drama's zoals Maria Stuart of gemartelde majesteit (1646). Hoewel Lucifer vaak wordt beschreven als Vondels meesterwerk, was het bijbels drama Jeptha of Offerbelofte (1659) in Vondels eigen visie het toneelstuk dat het dichtst zijn ideaal benaderde. De held van het stuk was een evenwichtig figuur, noch geheel goed, noch geheel slecht, met een christelijke levensvisie. Ook de plot (de ontwikkeling van een verkeerde beslissing, via inkeer tot berouw) was volgens de normen van de klassieken en het stuk voldeed aan de regels van Aristotels van eenheid van tijd, plaats en ruimte. Met deze ingrediënten dacht Vondel de klassieken te overtreffen, omdat hij, boven hun eisen, ook een christelijk element had toegevoegd. Het publiek dacht er anders over, zij zagen liever spektakel en vonden de lange monologen en weinig wisselende decors tegenvallen.
Vondel reageerde juist in diezelfde periode op kritiek van predikanten op het medium toneel. In 1661 publiceerde hij Tooneelschilt of Pleitrede voor het tooneelrecht waarin hij zich verdedigde door te wijzen op het didactisch belang van drama. Ook had de dichter, die zich intussen grondig in de klassieken had verdiept, verschillende vertalingen van grote schrijvers verzorgd, zoals Publius Virgilius Maroos Wercken en Ovidius' Heldinnenbrieven, beide in 1646 (Smits-Veldt, 1986, p. xxxi-xl).
Laatste jaren
In zijn persoonlijk leven deden zich verscheidene veranderingen voor. In 1652 vertrouwde hij de van zijn vader overgenomen zijdehandel op de Warmoesstraat op zijn beurt toe aan zijn zoon en huurde een huis aan de Prinsengracht waar hij met zijn dochter Anna ging wonen. Financieel gezien ging het steeds minder goed met Amsterdam, onder andere door de oorlog met Engeland (1652-1654) en dat had ook zijn weerslag op de zaken. Daar kwam nog eens bij dat Joost jr. niet erg veel zakentalent had en hij ging binnen een jaar failliet. Vondel, toen inmiddels zeventig, nam de schulden op zich en zijn zoon werd eind 1659 'verbannen' naar Indië - hij stierf onderweg op zee. Dankzij zijn goede contacten bleef Vondel zelf wel voor financiële problemen behoed. Via een bevriende echtgenote van een burgemeester werd hij in januari 1658 benoemd tot boekhouder bij de Banck van Leeninge, maar het werk heeft nooit zijn volle toewijding gekregen. Na tien jaar werd hij ontheven van zijn taak met behoud van zijn salaris.
Literair gezien bleef Vondel echter onverminderd productief tot vlak voor zijn dood. Er verschenen in deze tijd niet alleen vertalingen, maar ook veel oorspronkelijk werk over verschillende thema's. Naast een tiental tragedies, werkte hij in de laatste twintig jaar van zijn leven aan twee religieuze leerdichten, Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (1662) en De heerlyckheit der kercke (1663), en een bijbels epos over Johannes de Doper, Joannes de boetgezant (1662).
Na zijn ontslag bij de Bank beperkte Vondel zich als dichter voornamelijk tot gelegenheidsgedichten voor familie en vrienden. Het laatste bekende bruiloftsgedicht is van 1674 voor het huwelijk van zijn nicht. Het jaar daarna overleed zijn enig overgebleven kind, zijn dochter Anna. De oude dichter stierf op 5 februari 1679, op de eerbiedwaardige leeftijd van éénennegentig jaar. Hij werd door veertien dichters en liefhebbers naar zijn graf gedragen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam (Smits-Veldt, 1986, p. xl-xlii; Knuvelder, 1971, dl. 2, p. 392-393).
- Lees verder over Vondel: Een geschiedenis van Vondels lyriek
- Terug naar: Introductie