2: "Als gras en broodkruimels"
De tweede dichtbundel van Marjoleine de Vos, Kat van sneeuw (2003), kreeg als motto een gedicht van Kaváfis mee. Hoewel er inmiddels twee volledige vertalingen van het werk van deze Griekse dichter bestaan (één door G.H. Blanken en één door Hans Warren en Mario Molegraaf) maakte de dichteres zelf de vertaling van dit gedicht: 'Ionisch', dat gaat over beeldenstorm en geloof, over het landschap en de vluchtige aanwezigheid van de goden:
Omdat we hun beelden vernielden
omdat we ze verjoegen uit hun tempels
daarom zijn de goden nog niet dood.
De eerste afdeling van de bundel heeft als titel: 'Met volle hand het deeg in'. Deze afdeling bruist van levenslust, kooklust, aards genot. In tegenstelling daarmee gaat het gedicht 'Altijd die dingen' over vergankelijkheid:
Ze staan afwezig zichzelf te verdragen
de zwijgende dingen waarbij je moet horen
die je gevoelig vol sporen moet slijten
zodat ze gaan spreken van wie je ooit was.
(p. 10)
Ook hier past De Vos weer de truc van de personificatie toe, de 'rottige dingen' worden direct aangesproken, wat zowel intimiteit als naïviteit oproept. De zintuigen kunnen geen van alle gemist worden, stelt het eerste gedicht onomwonden en er wordt geroken, geproefd en ook geluisterd in deze gedichten, onder andere naar de cello-muziek van Bach. In het gedicht 'Al-afwezige' (in de tweede afdeling van de bundel: 'En daar is de engel!') lijkt een zoektocht te worden ondernomen naar het geloof. Het gedicht doet denken aan een gebed.
Dat u er altijd was en zult zijn, die eeuwen
der eeuwen waarin wij als gras en broodkruimels
roepen maar geen antwoord, smeken maar stilte
geen taal misschien een teken voor wie wil.
(p. 17)
De dichter geeft aan dat het aanroepen van deze God steeds op stilte stuit. Er volgt geen antwoord. In het middendeel wordt die god dan ook niet langer met 'u' aangesproken, maar getutoyeerd. Al helpen de aanroepen en gebeden niet, men wil erin volharden en aapt het gedrag van de goden na:
U bent maar vorm, een wijze van zeggen, hoopvol
wil ik bedanken vervloeken beklagen.
Mocht u mij horen ik ben hier op aarde
tot in de eeuwen der eeuwen ben ik hier.
(p. 17)
Het lijkt erop of de dichter zich op aarde stevig wil positioneren tegenover de godheid met de uitroep 'ik ben hier' en nogmaals 'ben ik hier'. Een ander gedicht uit deze afdeling 'En daar is de engel!' heeft als titel: 'Kom op met uw boodschap', wat niet bijster gelovig klinkt. Eerder gaat het hier om twijfel en wanhoop. In enkele gedichten speelt dit ongeduldige geloof de hoofdrol, zoals in 'Monnik', waarvan ook een separate bibliofiele uitgave verscheen:
O maak mij uw wegen bekend, dat ik poets
in vertrouwen, dat ik zelfvergeten
elke voeg volg als zong ik de psalmen.
(p. 22)
Deze psalmen zingende werkster lijkt weggelopen uit het gedicht van Gerrit Achterberg, dat begint met de beroemde regels: Zij kent de onderkant van kast en ledikant, ruwhouten planken en vergeten kieren, want zij behoort al kruipend tot de dieren, die voortbewegen op hun voet en hand (Werkster in: Hoonte, 1949). Bij De Vos staat: 'Alles hier kent mij keukenla, borstel en theepot'. Het gedicht refereert ook aan De Vos' eigen gedicht over 'Mevrouw Despina zingt een psalm' (uit haar debuutbundel) en uiteraard ook aan Nijhoffs befaamde psalmen zingende vrouw bij Zaltbommel.
Koude en de natuur staan centraal in de afdeling 'Kat van sneeuw': er wordt gerild, gewacht in de kou en ook de thema's natuur en herinnering komen opnieuw naar voren in. In de volgende afdeling ('Mevrouw Despina') krijgt mevrouw Despina steeds duidelijker contouren:
'Kijk die mevrouw' zal men zeggen en lachen
om haar mooi dat weg is, haar kleurloze glorie.
'Zie de stramheid die zich sierlijk waant.'
(p. 38)
Tussen de boeken - 'In de boekwinkel' - voelt mevrouw Despina zich thuis, daar zoekt en vindt ze verklaring of bevestiging van haar bestaan:
Zelf geschreven door een dichter
onbekend met zin of rijm
wil mevrouw Despina alle tekens
hartgrondig tot een orde lezen
zo zichzelf zien of een ander
in wat zonder haar niet leeft.
(p. 39)
Niet alleen de dingen moeten worden opgeschreven om herinnerd te worden, ook de schrijvere noet gelezen worden om te bestaan. Hier lijkt het er op dat de geportretteerde over zichzelf leest, zoals de getekende hand die zichzelf tekent.
De laatste afdeling van de bundel heet 'Lacrimae' (klaagzang). Daarin staat onder andere een gedicht waarin de dood aan het woord is. Marjoleine de Vos zei in gesprek hierover met Remco Ekkers dat de dood de gestalte van de geliefde heeft aangenomen: 'Het heeft iets te maken met Psyche en Amor. In dat verhaal is het de liefde zelf die bemint. Hier is het de dood. In de geliefde spreekt altijd de dood, want hij of zij zal sterven. Het is hier ook de man die zegt: ik ben gedoemd, ik neem je mee. Hij zal sterven en zal dus de vrouw mee naar beneden trekken. Als ze van hem houdt, sterft ze mee als het ware. Het heeft iets dreigends. De dood staat te dreigen en is zelf ook tragisch. Hij houdt van haar als van het leven en hij belooft haar als het ware, omdat hij ook de geliefde is, het leven, levenslust, mannendroom, maar uiteindelijk zal hij haar dat niet te bieden hebben; zal hij haar te gronde richten. De dood kan niet anders dan je meenemen'.
Er zijn ouderwetse uitdrukkingsvormen, zoals in de titel 'De dood hij had jouw stem' en er zijn veel herhalingen en parallellen, zoals in de regel:
mijn merg is koud mijn kus is zacht
Het laatste deel van het gedicht is in korte, jambische regels opgesteld waardoor er beweging ontstaat. Het is rijk aan assonantie, beginnend met de ie-klank, die via de u overvloeit in tragische ee- en aa-klanken:
ach ziel
laat mij niet los die je beliegt
met levenslust en mannendroom
zo vluchtig is mijn wereldmacht
ik ben gedoemd, ik neem je mee
naar steeds benee, almaar benee
en nooit weer om.
(p. 49)
In de eerste regel gebruikt Marjoleine de Vos bovendien een curieus neologisme, een overtreffende trap voor de liefste: 'mijn liefsteling'
- Terug naar Introductie