3: “Alsof ik hier niet ben, zo doet de wind”

In 2008 verscheen de bundel Het waait, die is ingedeeld in drie afdelingen. Hierin beschrijft Marjoleine de Vos de levenswandel van de mens op een klassieke manier. Levensfasen zijn gelijkgeschakeld met de seizoenen. In de eerste afdeling, ‘Een koe dan’, staat de jonge dichteres centraal, die nadenkt over haar positie in de wereld.

In het eerste deel van de afdeling zijn de gedachten van de dichteres sterk gericht op het aardse. Ze geniet van de natuur om haar heen en de ontluikende lente. Ze realiseert zich dat ze als mens fundamenteel anders is dan de dieren. Zij is ‘begiftigd’ met de rede en dus probeert ze alles te verklaren. Ze wenst in het eerste gedicht dat ze een koe zou kunnen zijn en dan helemaal niet bezig zou hoeven te zijn met levensvragen en het goddelijke. En toch vermoedt ze dat ook de koe misschien wel iets denkt, dat ze ‘alom’ moet zijn om het denken te kunnen uitschakelen.

Ons kijken is nooit wijd genoeg
om zo alom te kunnen zijn
dat denken wel verdwijnen moet.
Laat mij daarom dit alles zijn, die koe
die wei, die wolkenlucht boven het dorp
en mij die kijkt erbij.
(p. 7)

De dichteres voelt zich soms haast door de wereld vergeten, als ze merkt hoe bedrijvig alles om haar heen is:

Alsof ik hier niet ben, zo doet de wind
in het lichtgroen en weet de kamer
niets van mij. Ben ik voorbij.
(p. 8)

Zij benoemt alles wat ze om zich heen waarneemt, alles wat leeft, maar er is niemand om haar te benoemen:

En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen
want niets van al wat ik waarneem noemt mij.
(p. 11)

Dat levert een gevoel van eenzaamheid op:

Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld

Geleidelijk aan verschuift de aandacht naar het goddelijke. De dichteres vraagt zich af of er misschien meer is dan alleen de mens en diens ratio:

Spijt dat je rede
boven raadselen verkoos.
(p. 12)

Het is de natuur die de dichteres op het spoor van het goddelijke zet. Als ze het noorderlicht ziet, heeft ze een sterk goddelijk besef:

Onzegbaarheid komt als vanzelf als god
en fysica zich hand in hand vertonen.
(p. 14)

Maar het goddelijke is veel te groot om ‘zacht’ te kunnen zijn. De dichteres beseft dat ze liever het goddelijke niet ziet, dat ze daartoe ook niet gerechtigd is:

Een sterveling mag geen goden zien.
(p. 16)

In de tweede afdeling, ‘Wijs wie chaos ziet’, staan herfst en winter centraal, die symbolisch zijn voor het ouder worden van de mens. In de eerste helft van de afdeling (over de herfst) lijkt de dichteres het ouder worden nog niet geheel te accepteren:

Het dorp genaamd De Rust ontvangt je
vraagt niets, biedt zon in ruime tuinen
een heden goed en kalm met kippen.
Zo is het vast bedoeld, maar niet door jou.
(p. 27)

In het gedicht ‘Zo zou het zijn’ ziet de dichteres zichzelf als oude vrouw en beseft ze dat ze altijd al zo wilde worden. Maar als ze ouder wordt en die grijze vrouw daadwerkelijk in het verschiet ligt, lijkt ze het toch nog niet te kunnen accepteren:

Zo zou het zijn, maar in het echt vooral
wat stof dat daalt, je kromp in eigen oog
snapt niet wat je begrijpen wou. Tot halverwege
ja, daar staat een grijze vrouw, ze kijkt naar jou
en jij ziet haar. Maar je loopt door en mompelt: toch
bloeit straks de winterhazelaar.
(p. 29)

In de laatste afdeling, ‘Je volgt de weg tot je hem kwijt’, staan gedichten over de dood. Hier is het niet langer één seizoen dat inzicht geeft, elk seizoen zou op een eigen manier iets over de dood kunnen vertellen. In het gedicht ‘Gedachtenis’ wordt de dood in verband gebracht met de lente:

Is doodgaan wreder nu madelieven splinternieuw
of geeft houvast juist dat de koolmees op de nestkast tikt
de merel zingende beschikt hoe vroeg de ochtend komt?
(p. 36)

In een gedicht over De Vos’ alter ego, mevrouw Despina, wordt de dood juist in verband gebracht met de winter:

Stralende morgen met rijp op het weiland.
Klaar voor ervaring van inzicht en kalmte
loopt ze het licht tot waar in de sloot
verzonken in graafwerk de rattenvanger zingt.
Vraagt ze schichtig naar dood en gevaren
lacht de man in het ijs, die de luchtbellen wijst
van het wezen dat daar zich verschuilt.

Het waait doet denken aan eerder werk van De Vos. Niet alleen mevrouw Despina speelt weer een duidelijke rol in de gedichten, ook zijn de klassieke mythologie en de kaddisj opnieuw onderwerpen. In het gedicht ‘Kaddisj’ komt de dichteres tot een inzicht over de klaagzang, waarvan ze lange tijd gedacht had dat het niet meer dan een klacht was:

Zo is het niet. Die het zegt biedt
verzoening, bevestigt een oordeel.
(p. 38)

En in het gedicht ‘Hektor belt Andromache’ wordt de klassieke mythologie vermengd met de moderniteit. Een wanhopige Hektor laat zijn geliefde Andromache telefonisch weten dat hij niet terug zal keren van het slagveld:

ik bel je voor altijd ik hoor je
niet zuchten niet huilen maar liefde
dat kreunen is liefde dat hoor ik
voor altijd mijn liefste ik leef nog
en bel je voor altijd maar nooit weer
mijn liefste je bent er ik win niet
ik sterf hier
(p. 35) 


Terug naar Introductie

 - Klik voor een uitvergroting
Vooromslag van Het waait (2008)