Tekst

's Zomers stinken alle steden

In 1997 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker de debuutbundel van Menno Wigman: 's Zomers stinken alle steden. Het motto werd ontleend aan de Griekse dichter K.P. Kavafis: 'Van het genot zal hij veel leren'. De bundel zelf maakt echter niet de indruk dat er veel genoten is, hoewel romantische liefdes de revue passeren. Er lijkt eerder te worden verzucht en geleden op een bijna negentiende-eeuwse wijze. De bundel begint met een jeugdherinnering:



Hier liet ik kevers in mijn handen kruipen,
      stak ze dood en kistte ze in doosjes
zonder lucifers. De hele zomer was het
      oorlog, was het razen, was het jagen,
in een ramkoers door de wilde geuren
      van mijn tuin.


Later kijkt hij bevreemd terug op die jeugdige wreedheden:

Dezelfde tuin. Hetzelfde huis. De boom
      van mijn skelet is uitgegroeid, mijn rijk
gekrompen, mijn macht verjaard. Achter
      de tralies van mijn wimpers tel ik kevers
zonder kruizen en betreed mijn oude huid.
      Met een bloedgang ben ik thuis.

(p. 11)

Het is een wat ouwelijk begin van een debuutbundel, alsof de dichter hoogbejaard terugkijkt naar zijn vroegste jeugd. Dit perspectief komt in meer gedichten voor. Wigman benoemt zijn generatie, alsof die al tot het verleden behoort. Het is een romantisch blik, die ook garant staat voor romantische beeldspraak:

De metro ramt de voorkant van de dag.

Naast 'ochtendvrees' blijkt de man die in de tram zit, tussen het 'gangpadvee' en het 'mensenvee', te lijden aan 'moordlust' en 'eilandzucht'. Hij hunkert naar 'vrouwelijke stranden' en heeft internationaal erkende dromen over de zee. Hij is niet uniek en hij heeft



geen eigen hemel, eigen ogen, eigen strand

wat de dichter doet verzuchten:



Wat een bestaan.
(p. 12)

De eerste regels van Wigman zijn vaak personificaties, zoals:



De zomer vloert de stad
(p. 13)

In de eerste afdeling van deze debuutbundel staan nogal wat gedichten over een hittegolf die de stad verlamt en de dichter niet alleen tot contemplatie aanzet:



Juli. Augustus. Onrust. Onanie.
(p. 14)



Hij beziet zijn leven, dat de dertig begint te naderen (Wigman debuteerde toen hij 31 jaar oud was):



                                                  En ik zag
hoe alle parken overbloeiden,
      hoe de hitte uit de hemel sloeg,

hoe de horde zon op ander bloed
      en zich vergrijpen wilde aan
een blonde levensgloed. En ik zag af.
      Versliep de revolutie in mijn bed.
Vergat alvast te leven.

(p. 15)

De crux zich hem natuurlijk in dat tussenvoegsel 'alvast'. Het vergeten te leven is misschien ook het gevolg van zijn leesavonturen, waarin hij het 'bejaarde Noorden' wegwuift. De lezer is overal thuis, maar blijft een nomade, lijkt de boodschap te zijn van de slotregel van 'Paniek':



Wie huist nog waar hij woont?
(p. 16)

Voor zijn gedichten ontleent Wigman veel aan andere dichters, liefst geen Nederlandse:



Ik gooide vaak mijn netten uit
      in de Zuiderzee van onze dichters
            en hoopte op een fraaie vangst,

maar steeds trok ik een weke
      Jezuskop omhoog, of anders
            wel een stukbezongen herfst,

niet minder aangevreten dan
      die onbezonnen odes, koele muzen,
            kerken, vaandels en ballades

die op de bodem van de roem verkazen.

Maar na deze oekaze tegen domineespoëzie en tegen natuurlyriek, bekent hij:



Ik lieg.
(p. 21)

en ziet hij dat zijn geliefde het is, die 'door die strofen stroomt'. Het is een kwestie van goed lezen, dus, ook als de liefde voorbij is en hij zich nog steeds afvraagt wat zijn geliefde op dat moment doet:



Als jij niet langer van me droomt,
      als ik het afleg in jouw slaap,
slijp ik keukenmessen in mijn hoofd.
      Iemand is er geweest.

(p. 22)

Het gedicht 'Jeunesse dorée' opent de gelijknamige afdeling van deze bundel en is een onvervalste terugblik:



Ik zag de grootste geesten van mijn generatie
      bloeden voor een opstand die niet kwam.


Een dichtersopstand, dat wel, waarbij gedroomd wordt van boekomslagen.

Ik zag ze zweren bij een nieuwe dronkenschap
      en dansen op de bodem van de nacht.


Maar ze zijn te laat, hun beloftes worden niet ingelost:

Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent
      en spreken met gejaagde stem: -
was alles al gezegd, nog niet door hen.

(p. 29)

en het lijkt alsof Wigman hier terugkijkt op het fin de siècle van een eeuw eerder, de tijd van Oscar Wilde en Louis Couperus, de tijd van doodsverlangen, 'minor poets' en kwijnende dichtersliefdes, als we de voornaamste clichés over die periode even van stal halen.

Het is ook een tijd van uitroepen. Wigman hanteert het uitroepteken met graagte:

De boulevard! De zeewind!
      Blauwe oevers! Befloerste bossen!

(p. 13)



Ruk je los uit het bejaarde Noorden!
      Wreek de fratsen van Calvijn!

(p. 16)



Het einde van de regenboog!
(p. 31)



                                            Het mysterie
      van het laatste onrecht! Algehele
roofzucht! Perfectie! Paringsdrift!
(p. 31)

Ook is hij niet afkerig van grote woorden:

      De avond sterft zijn eigen dood.
Ik zie nog net hoe alles lijdt,
      moe van de overvloed aan mensen,
hun verloren eenzaamheid.

(p. 33)

Duidelijk is dat Wigman probeert een tijdsbeeld te schetsen, deels aan de hand van de indeling in generaties en door het gebruik van de pluralis majestatis.



We waren niet begaan met wat er stierf.
(p. 32)

De dichter heeft een opdracht, maar die is toch heel persoonlijk:



Eet je tranen, dichter
eet je tranen
en verslik je niet


Hij moet niet in eenzelvigheid blijven hangen of onbegrijpelijkheden wegstoten:



alles wat wil zijn
wil anders zijn
dus zoek de angel

(p. 39)

Wigman refereeert onder andere aan literaire helden en anti-helden, zoals de Graaf van Valmont, en aan romantische auteurs als Thomas de Quincey, Rainer Maria Rilke en vele anderen. Hoe romantisch ook, het is niet meer de negentiende-eeuwse romantiek, maar een moderne variant:



Elke nieuwe liefde leerde me beter liegen

zegt hij dan ook:



Geef me je mond. Vergeet je herkomst
      en snij kussen uit mijn taal.
Ik ben je dagboek niet.

(p. 48)

Het gaat hier tenslotte om andere zaken:



te lijden met allure

namelijk om die



diarree van liefdes
(p. 53)



De bundel besluit met het gedicht 'Nachttrein', waarin de dichter zichzelf weerspiegeld ziet in het venster van een trein: vreemd, afgeleefd, onecht.



Ik ben zo moe, zo vastgevroren in een vloek,
      en in de vuile ruit die zich verspreekt
zie ik nog één keer mijn verloren blik,

omlijst door angst en rook en zelfverwijt.
      Te laat. Geen hartstocht dreef mij naar de grens,
geen Gorter of Lodeizen greep mijn pen. Te laat.
      En zoals alles wat met leven is behept
            ben ik op weg en kom ik aan.

(p. 56)