Zwart als kaviaar

De titel van de bundel Zwart als kaviaar (2001) is ontleend aan de slotregel van het gedicht 'Jeunesse dorée' uit Wigmans debuutbundel 's Zomers stinken alle steden. Het motto luidt: 'I cried for madder music and for stronger wine', een dichtregel van de decadente, Engelse dichter Ernest Downson.

Het eerste gedicht 'Misverstand' geeft wellicht de poëtica van Wigman weer:


Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt.


Poëzie is geen 'heelkunst', de dichter is geen dokter:

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

(p. 7)

Er is meer waar hij zich ongerust over maakt:

Hij boog zich dieper over zijn verleden
van beroemde feesten, vreemde bedden
en verliefde telefoongesprekken - dieper -
al die achteloos verrookte jaren en
bepoederde excessen - dieper, dieper
dan een mens ooit had gekeken keek hij
in het koude ijzer van zijn levensloop.

(p. 11)

Alsof Wigman de loop van een revolver op zich gericht houdt, zo genadeloos bekijkt hij deze groots aangezette levensloop vol buitensporigheden. Decadentie die traditiegetrouw niet anders dan tot de dood kan leiden. maar dit is dubbelzinnig. De verplichte schooltijd - waarover Wigman niet optimistisch blijkt in het gedicht 'Leerplicht' - is ook een periode van een braaf protest, afkeer zonder haat:

ze bleven klein. Wij niet. Wij streken
met de week meer leugens uit ons haar,
ramden in gedachten passers door hun lip

en krasten oorlogskreten in ons schrift.
Maar haat, nee, haat kon het niet zijn.
Zo simpel, zo doorzichtig was ons verzet

dat zelfs die afkeer nog leek voorgezegd.

(p. 12)

Het gedicht 'Binnenbrand' gaat over het bekijken van het eerste pornografische blaadje. Oorspronkelijk zou de bundel als geheel deze titel dragen, maar blijkbaar prefereerde Wigman toch Zwart als kaviaar.

een stronk met dijen, schaamgras, lillend licht,
mijn ogen smeulen en de hemel kleurt.
Die middag als een open wond.

(p. 13)

De versvorm van Wigman lijkt regelmatig, maar is dat lang niet altijd. Opvallend vaak komen de vijfregelige en drieregelige strofen voor. Ook gedichten met strofen die in aantal regels minderen hebben zijn voorkeur, zoals van vijf regels naar vier, van vier naar drie en tenslotte twee slotregels. De verzen zijn doorgaans melancholisch van toon, zoals de laatste strofe van 'Mala sombra':

In huis: een Tristan die geen dromer is.
Op straat: een held die in zichzelf verdwijnt.
En nergens iemand die twee armen mist.

(p. 17)

Goethe wordt nabij gebracht in het gedicht 'Het lijden van de jonge W.' waarin we kennismaken met een eigentijdse, lijdende Werther. Toch zijn er duidelijk verschillen, want:

Nee, er kwam geen afscheidsbrief
uit zijn verlamde handen
en ook het schot op blz. 143
bleef uit. Tegenwoordig ga je
niet meer aan een mond kapot,
sterft niemand voor een bruid.

(p. 22)

Melancholie is ook niet meer wat het geweest is: het is gecompliceerd geworden. De lezer krijgt inzicht in Wigmans ervaringen bij de tandarts, die gekoppeld worden aan deportaties en barakken, en over nachtfilms die de geliefde bekijkt, waarna de liefde wordt vergeleken met een 'een hangmat als een hel van duizend kilometer film'. Jaloezie wordt gekoppeld aan ervaringen in moderne warenhuizen die het moeten ontgelden in het gedicht 'Koopmuziek':

De moedeloze geilheid van een V&D
op dinsdagmiddag


waarbij de dichter in willekeurige passanten een vervanging zoekt voor het gezicht van zijn voormalige geliefde:

(Niet denken nu, niet denken aan die ene
die 's nachts met haar benen in de lucht
de hemel van een ander openvouwt.)

(p. 27)

Het fin de siècle van de twintigste eeuw zet Wigman ertoe aan de menselijkheid van die eeuw te beschouwen. Het gedicht waarin hij dat doet heet 'Grauzone' en begint heftig:

Als deze liefdeloze eeuw heeft afgedaan,
       vertel me dan, wie krijgt de grootste bek,
              wie trekt het eerst zijn mes en maait
                     zijn angsten weg? Wie vliegt de spiegel aan?
                            Wie zet Treblinka recht?

(p. 31)

Hier is goed te zien hoe Wigman door klankverwantschappen samenhang in het gedicht brengt. Dit geldt voor de 'ie'-klank in 'liefdeloos' en daarna vier maal 'wie', 'vliegt' en 'spiegel', voor de 'e'-klank in 'vertel', 'bek', 'trekt', 'mes', 'weg', 'zet' en 'recht' en voor de 'ee-klank' in 'heeft', 'eerst' en 'Treblinka'. Die 'ee'-klank verspringt daarbij nog eens trapsgewijs door de regels. Het gebruik van de alliteratie in 'mes' en 'maait' zorgt voor verdere versterking. Daarnaast valt op het woord 'Treblinka' nog eens extra nadruk omdat het tussen assonerende woorden ligt.

In de laatste strofe blust het gedicht uit in gelatenheid:


de straten waar het ego ego kraait. En dwars
       door alle eeuwen de onpeilbare verveling
              van een dinsdag, het licht doet pijn,
                     de regen zeikt, er kruipen auto's langs
                            en dat zal alles zijn.

(p. 31)

Niet voor niets duikt in deze laatste strofe eindrijm op. Zie 'dwars' en 'langs' en de cliché eindrijmwoorden 'pijn' en 'zijn'. Het woord 'verveling' krijgt opvallend geen eindrijm, maar een band met het woord 'regen' door de 'e'-klank en 'onpeilbaar' wordt met 'zeikt' in verband gebracht. Kortom, de saaie voorspelbaarheid is al in de woorden besloten. Overigens duikt hier de dinsdag weer op, die in het gedicht 'Koopmuziek' in de V&D werd doorgebracht. Dinsdag is duidelijk een dag van verveling, wat impliceert dat alle dagen van de week een troosteloos gevoel oproepen.

Over de snackcultuur heeft Wigman ook een mening in het gedicht 'Burger King' (naar de bekende hamburgerrestaurant-keten): af en toe moet hij zijn hoge eisen bijstellen, want de lelijke onderkant van de maatschappij, zoals hij zegt, is steviger dan verwacht:

Was er een tijd dat ik hier boven stond,
mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,
niet meer.


De literatuur is tenslotte het leven niet:

mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal
betaal je met jezelf, niet eens bedroefd,
eerder verbaasd dat alles wat zo laag
en lelijk is zo sterk en stevig staat.

(p. 33)

Het verleden van zijn geliefde, de minnaars die ze voor hem had, spoken rond in 'Grootsteeds':

Wat ze vóór mij deed? Met Hugo at ze kreeft,
met Thomas reed ze door LA, met Sander sliep
ze in Berlijn, met Jean, met Stein...
(p. 43)

Dit lijkt hopeloos, maar er komt een kentering in de laatste strofe

Maar na een week of zeven staat er 's nachts

een kring van schimmen rond ons bed te kijken
hoe traag, hoe teder en verbeten wij
hun diepste namen uit ons hoofd verdrijven.

(p. 43)

Tot slot is een gedicht over voordragen opgenomen. Hoe moeilijk het is om voor een publiek te staan, de verwachting te vervullen; hoe plezierig en opwindend het kan zijn en hoe lastig het leven buiten de spotlights is.

       hoe ik te kijk sta met zoiets weerloos,
verachtelijks, ambachtelijks als poëzie.

(p. 49)

Na het optreden is er de onvermijdelijke reis naar huis:

       Maar in de trein terug, ver van de kamer
waar ik dagelijks de taal beklop, vraag ik
       me af hoe diep ik nog de waarheid lieg.
              Pas in deze woorden sta ik op.

(p. 49)