Tweeduizendzoveel

In 2004 verschenen twee drukken van de bundel Dit is mijn dag. Daarin werd het eerder bibliofiel uitgegeven gedicht 'Dit is mijn dag' (Mikado Pers, 2002) opgenomen, samen met gedichten die eerder verschenen in een lange reeks tijdschriften: De Gids, Bunker Hill, De Revisor, Hollands Maandblad, Optima, Pa§ionate, Het liegend konijn, De tweede ronde, Onze taal en in kranten als de Volkskrant en Het Parool. Die lijst geeft de brede waardering voor de dichter Wigman aan. Ook zijn in deze bundel enkele gedichten opgenomen die werden uitgesproken bij uitvaarten van vereenzaamde mensen. Een van die gedichten, 'Bij de gemeentekist van mevrouw P.' (uit 2003), spreekt over 'een eind dat stinkt' van een 83-jarige dame die nu lijkt te slapen:

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan
  haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht,
  wordt weggeworpen, uitgewist. En dit,
is dit beschamende slepen een begrafenis?
  Alsof je ongemerkt een munt verliest,

op een verveeld station je krant vergeet. Zoiets.
(p. 42)

Het enjambement doet de afzonderlijkheid van de strofen te niet en geeft dit vormvaste en rijmende gedicht een parlandoachtige overdenking, waarbij het volgen van de ene strofe op de andere bovendien aanduidt dat alles door blijft gaan, ook na de dood van de oude mevrouw, zelfs tijdens haar eenzame begrafenis.

De kritiek noemt de gedichten van Wigman daarom klassiek, elegant en virtuoos, terwijl de thematiek vaak beklemmend en modern wordt genoemd. In veel gedichten speelt de ongewendheid ana het leven een rol, de ongeschiktheid voor een dagelijks bestaan:

Vanochtend werd ik wakker in een droom
van iemand die een huid van vlees bewoont.

Ik kon niet vluchten
(p. 7)

Hij verwijst naar de filosoof Tsjwang Tse die zich afvroeg of hij droomde een vlinder te zijn of dat de vlinder droomde een mens te zijn. De dichter stelt dat hij een mens is, helaas:

een taai skelet met tweeëndertig tanden,
twee handen en een tragisch intellect

dat met een angst voor klokken was behept.
(p. 7)

Maar als hij eindelijk opstaat en hij zijn gedachten 'dichtritst' breekt er een vlinder los: 'En dat ben ik'.

De pre-occupatie met het eigen lichaam en de dood en vooral met de overbodigheid van het eigen bestaan, komt ook voor in het gedicht 'Een soort thuiskomst' waarin de ik-persoon gewekt wordt, zijn hand 'bevleesd' ziet en richting daglicht gaat, alsof hij opstaat uit een graf:

Toen veegde ik de aarde uit mijn haar
(p. 16)

Zijn botten blijven slapen, maar hij loopt naar een stad waar hij als een toerist rondkijkt:

Vluchtheuvels. Winkelstraten. Zebrapaden.
Het was of ik nooit nodig was geweest.
(p. 16)

Verder in de bundel wordt dit parallelle bestaan, een leven naast het eigenlijke leven, beschreven als:

Geluidloos wachten. Op een pijnloos uur.
(p. 26)

Tegenover dit bijna wezenloze bestaan staan aansporingen om in het diepe te springen, met 'dwars door mijn verdoving weer de hoop' (p. 26) en de oproep: 'Belig je bank. Sal ruggen stuk. Ga waar je grillen gaan.' (p. 27). In deze bundel staat het gedicht waar Wigman enkele jaren later een bloemlezing uit eigen werk naar zou vernoemen: 'Tot besluit', over 'de droefenis van copyrettes'. Hierin wordt het moderne leven in de vinexwijken als een roemloze kopie van een echt bestaan afgeschilderd:

Wie kopiëren ze? Wie kopieer
  ik zelf?
(p. 28)

Daarbij hoopt de dichter die 'keffend in zijn canto's woont' dat hij 'iets nieuws, iets nieuws' te zeggen heeft. Die herhaling van dat nieuwe is op zich al weer een kopie, net als de gedachte dat er niets nieuws te zeggen is. De conclusie van de bundel ligt in de laatste regel (van het slotgedicht 'Dit niet') besloten, namelijk dat het leven dan een kopie mag zijn, maar dat los van de gebeurtenissen op straat en de weemoed, de fantasie die wereld tot iets bijzonders maakt en dan daarin de zin om te blijven leven schuilt:

De dood verzint van alles, maar niet dit.
(p. 55)

In januari 2006 verscheen op de jaarlijkse gedichtendag een kleine bundel van Wigman als gezamenlijke uitgave van Poetry International in Rotterdam en uitgeverij Prometheus in Amsterdam. Er staan tien gedichten in De wereld bij avond.

Tweeduidendzoveel. Nacht. Krant. Lamp.
Zolang je letters leest werkt je verstand.
(p. 3)

Ook in deze bundel spreekt Wigman over de herhalingen die het leven uitmaken en bepalen:

Tweeduizendzoveel. Pixels, steeds meer pixels.
De nieuwsdienst pokert met je hoofd.

Geloof niet in vrede, geloof in roem,
de drift waarmee we alles overdoen.

En duizend dikke Elvissen maar stralen.
En juichend vaart een oorlogsbodem uit.

Te zeggen dat we niks geleerd... (volgt een citaat
verluchtigd met een woord als god, ras, haat).
(p. 3)

Sommige gedichten beschrijven het leven vanuit de positie van een waanzinnige, een scheldmailschrijver of een glazenwasser. Het vloekgedicht heet 'Godverdedomme' en barst uit zijn voegen van de haat en van de spelfouten:

Blinde, dove, rodmoordenaar & rover
van all wat ik bezit, ik waarschuw je.
[...]
Ik wacht dierek op antwoord.
Schriftelijk. Godverdedomme.
(p. 10)

De glazenwasser daarentegen beschrijft hoe hij op zeven hoog de ruiten schon wast waardoor de buitenwereld in de kamer weer zichtbaar wordt:

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzichtvrij - schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.
(p. 12)

In de bloemlezing De droefenis van copyrettes uit 2009 zijn naast de evergreens en succesnummers van Wigman ook enkele nieuwe, ongepubliceerde gedichten opgenomen, waarvan de weemoed opnieuw afspat. In een van deze gedichten spreekt hij tot zijn 'pik', die 'al dagen' slaapt en moe is:

Ooit wist je alles van genot. Iets met
voltage, wijsheid - ach mijn sleutel tot.
(p. 52).

Terug naar Introductie.