Geschenken

De zesde dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg Geschenken (1996) is bekroond met de Herman Gorter-Prijs. Beschouwing en filosofie zijn in deze bundel sterk aanwezig, evenals verwondering. De gedichten zijn verhalend. In het gedicht 'Hand vergeten' wijst Wijnberg wellicht terug naar het gedicht 'Het lawaai in het atelier van Rodin' uit de bundel De voorstelling in de nachtclub (1990). Nu wordt echter vanuit het standpunt van de beeldhouwer geschreven.

                                                  Opgemerkt te worden, betast.
Aan wat zich bloot te stellen, behalve aan dat wat hem afslijt?

Tot zijn bevrijding en ogenblikkelijk einde van vrijheid
dat hij doorgeeft als een gat in een muur.

                                                    Als iets te maken
dan het zeer groot te maken, omdat het makkelijk is
te denken dat hij iets gedaan heeft
                                  terwijl hij het niet gedaan heeft,
een gezicht te hakken
                                               uit een enorme rots
                                                              en later het lichaam daaronder te vinden,
te bevrijden, en de weggehakte steen te gebruiken
voor nog een bouwwerk,
                                                        en dat alles zonder hulp
hoewel het gemakkelijk is te bedenken dat hij er hulp bij gehad heeft
(hieraan moet hij dag en nacht bezig geweest zijn; verder kan
                                                              hem niets gebeurd zijn!)

Of voor het eerst tegenover een spiegel.
Eerst het gevoel dat iets niet klopt
en dan blijdschap; nu kan hij overal zien waar hij zich aanraakt

(p. 38)

Het gedicht 'Ten behoeve van de glorie van god, en dat mijn buurman voordeel daarvan kan hebben' gaat over ouder worden. De 'hij' wil bereiken dat mensen hem later, als hij oud is en niet meer goed kan kijken en luisteren, in huis willen opnemen.

Hij begint uit te proberen
als hij ergens te gast is,
of hij zijn gastheer kan helpen met iets, bijvoorbeeld
de tafel te dekken.

Als scherven van gedachten hem onbeweeglijk maken,
scherven, niet klei,
en maken dat wie hem ziet aanneemt dat hij bezig is,
terwijl het meer is alsof hij met zijn hand water omroert,
veel en veel langer dan nodig om te voelen hoe warm het is.

(p. 45)

Alvast

De bundel Alvast uit 1998 bestaat uit drie afdelingen: 'Al die', 'Met al' en 'Alvast'. Het zijn korte gedichten, soms slechts drie regels. Er zijn beschouwende gedichten bij, maar ook gedichten die op korte bijna stenografische notities lijken, zoals in 'Gebruikt, ongebruikt'.

Tuin binnengaan.
Tuin die er nog is,
slapend, wakker.
Alvast dat plan.

(p. 43)

Het langste gedicht in de bundel heet treffend 'Is er tijd voor?' en telt elf korte regels.

Niet als wens
herkennen,
wachten (schuilen)
tot de avond (de regen)
duidelijk maakt
dat zij die avond niet stopt
in zich te luisteren
naar wat nog een keer (is er tijd voor?)
gehoord moet worden om herkend te worden als overweldigend gewenst (met een hand uit de lucht willen grijpen).

(p. 57)

Vogels

De combinatie van korte en lange gedichten, en de afwisseling tussen prozaïsche en staccato zinnen komen terug in de bundel Vogels (2001). Dit is de eerste bundel bij zijn nieuwe uitgeverij Contact. Wijnberg ontving voor deze bundel de Paul Snoek Prijs.

In het gedicht 'Niet als een vogel' schetst Wijnberg een beeld van vrouwen:

In vrouwen zijn
kleinere vrouwen
soms grotere vrouwen
en nog grotere vrouwen in die vrouwen.


Deze beschrijving lijkt het omgekeerde van een Russische Matroesjka, een pop waarin steeds een kleiner poppetje zit. In de laatste strofe van het gedicht laat hij zien wat vrouwen beter kunnen dan mannen.

Zij laten zien aan wie kan vliegen,
niet als een vogel
maar als een vogel die uit een vogel
gehaald wordt en weer teruggezet.

(p. 10)

In deze bundel gebruikt Wijnberg vaak de directe rede, alsof de dichter in tweespraak gaat met zijn onderwerp. In het gedicht 'Vogelmeisje' is niet duidelijk of de droefheid de 'ik' of het meisje betreft. Degenen die zoeken zijn, ondanks hun schreeuwen en huilen, niet te horen:

'Waarom ben je zo bedroefd?'
vroeg ik aan haar of zij aan mij.

'Omdat wie mij zoekt
komt als ik er niet ben

en schreeuwt en huilt
omdat ik niet te vinden ben;

ik kan het niet horen
en het maakt mij bedroefd.'

(p. 3)

Uit 7

In 2003 verscheen de verzamelbundel Uit7, waarin gedichten uit de eerste zeven verschenen bundels zijn opgenomen. Wijnberg heeft deze verzamelbundel zelf samengesteld. Hij licht daarbij in een nawoord toe dat ongeveer de helft van de bundels is opgenomen, omdat hij over een aantal gedichten achteraf niet meer zo tevreden is. 'Vooral in de eerste twee bundels probeerde ik nog af en toe uit of ik de gedichten niet eenvoudiger en krachtiger kon maken door alle niet onmisbare interpunctie en hoofdletters weg te laten. Later leek mij dat dit doel, tenminste in mijn gedichten, het beste gediend werd door met interpunctie en hoofdletters zo veel mogelijk om te gaan zoals in proza gebruikelijk is'.