Weerbarstig en herkenbaar
Nachoem M. Wijnberg (1961) debuteerde als dichter in 1989 met de bundel De simulatie van de schepping in de reeks 'De windroos', die al zo lang aan zoveel opmerkelijke debutanten plaats biedt. Daarna volgden met regelmaat andere bundels, bij uitgeverij De Bezige Bij en bij Contact. Bij Contact verscheen in 2003 ook Uit 7, een bloemlezing uit eigen werk, namelijk zeven eerdere dichtbundels. De bundel Geschenken werd in 1997 bekroond met de Herman Gorter-Prijs. Gerrit Komrij selecteerde zes van Wijnbergs gedichten voor zijn toonaangevende bloemlezing Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw (herziene uitgave, 2004).
In De morgen van 20 februari 2002 noemde Koen Vergeer in zijn bespreking van de bundel Vogels de poëzie van Nachoem Wijnberg 'weerbarstig en herkenbaar'. Om aldus te vervolgen: 'Korte, afgemeten zinnetjes, soms meer en soms minder duidelijk samenhangend met de andere korte, afgemeten zinnetjes. Droge mededelingen. Geen formele, poëtische hoogstandjes, geen lyriek. Geen muziek, geen persoonlijke ontboezemingen. Wat moet je met zo'n dichter?' Bij Vergeer is het saldo negatief: 'Ik zeg niet dat de poëzie in Vogels mij niets zegt, maar het zegt me wel te weinig'.
In Vrij Nederland van 8 oktober 1994 behandelt Rob Schouten Wijnbergs vijfde bundel Is het dan goed (1994). Hij noemt Wijnbergs poëtische universum 'een van de wonderlijkste dichterlijke werelden die ik ken'. En vervolgt: 'Over alle poëzie van Wijnberg hangt een waas van anonimiteit, van onaanwijsbaarheid zelfs, zijn verhalen zijn geschiedenissen zonder personages, aan zijn levenswijsheden lijken de bekende rationele of emotionele coördinaten te ontbreken. Hij is kortom een dichter die de lezer niet wil confronteren met een overbekende wereld'.
Guus Middag schrijft in De Volkskrant op 11 juni 1993 over Langzaam en zacht (1993). Hij stelt, verzuchtend bijna: 'Wijnberg is een dichter van wie ik wel vaker uitleggingen van eigen werk zou willen lezen. Niet omdat zijn werk er beter door wordt, maar dan toch in ieder geval iets beter te begrijpen. Zijn verzen bevinden zich steeds meer in een context-loos vacuüm en ze stellen de lezer steeds vaker voor de vraag: 'Wat heb ik hier eigenlijk mee te maken?'.'
Marc Reugebrink ten slotte in De Volkskrant van 27 december 1991 over De expeditie naar Cathay: 'Woorden zijn ons vanzelfsprekend bezit zolang we ons opgenomen weten in een bepaald verband dat aan die woorden een betekenis geeft. Dat verband stelt ons in staat om met die woorden een ander iets duidelijk te maken, om elkaar verhalen te vertellen. Die verhalen vormen onze werkelijkheid. Maar voor Wijnberg bestaat het verband niet meer, en daarmee worden alle verhalen en woorden betekenisloos. Op dit punt aangekomen had Wijnberg voor het zwijgen kunnen kiezen, of voor een dichterschap dat trachtte dit zwijgen uit te drukken, voor de zogenaamde 'autonomistische', ook wel 'hermetische' of zelfs 'witte' poëzie. Maar Wijnberg wil iets anders [...]: de sprekende stem moet een eigen stem zijn; de woorden die de dichter gebruikt moeten losgemaakt worden van het aloude verband waarin ze nog steeds staan, moeten worden ontdaan van betekenissen en essenties waarmee onze westerse cultuur in de loop van haar geschiedenis de taal heeft opgezadeld en die vals zijn gebleken'.
- Terug naar Introductie