Dichters in Teheran (1)


Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Zelfs buiten de grenzen van ons kleine landje. Zo kreeg ik kort na de voorbije boekenweek het verzoek om een voordracht uit eigen werk te houden voor de kleine Nederlandse kolonie in Teheran. De ambassadeur van ons land in Iran, Hein de Vries, was tijdens een kort verblijf in Nederland bij toeval aanwezig geweest bij een optreden van mij in Delft en kennelijk was ik in zijn ogen de aangewezen man om de stemming onder de Nederlanders in de heilsstaat van Khomeini c.s. een beetje dichterlijk op te krikken.

Vandaar de uitnodiging. Ik mocht me zelfs laten vergezellen door mijn hartsvriendin en mijn kunstbroeder Jean Pierre Rawie. Alhoewel die laatste belofte uiteindelijk ijdel bleek te zijn. De ambassade had namelijk op behendige en voordelige wijze onze tickets laten sponseren door de KLM, maar op 12 juni, de dag van ons geplande vertrek, bleek het cadeautje van de KLM een dubieuze gift, want het vliegtuig was overbooked en er konden nog maar 2 personen mee. Fideel trok Jean Pierre Rawie zich toen maar terug, maar de lol was er ook voor ons de eerste dagen wel af. En bij Jean Pierre al helemaal: pogingen vanuit Teheran om hem de dag daarna nog te laten overvliegen mislukten; het hoefde voor hem niet meer.

En dat terwijl wij ons er zo op verheugd hadden. Want voor het eerst in onze toch al lange en redelijk succesvolle carrière kregen ook wij eindelijk eens een uitnodiging om in het buitenland onze dichterstem te laten horen. Regelmatig berichten onze media immers over groepen Nederlandse poëten die overal over de wereld uitzwermen om op diverse festivals en andere evenementen op te treden, maar kennelijk beschikken wij tot op heden niet over de goede contacten. Telkenmale kom je bij die berichten namelijk dezelfde bekende namen van collega-dichters tegen en daarnaast ook die van dichters wier bekendheid in eigen land nog erg beperkt is. Zo las ik toevallig onlangs dat de Nederlandse dichters Hans Wap, Peter Swanborn en Tsead Bruinja naar Indonesië vertrokken zijn om van 2 tot en met 8 juli op poëziefestivals in Palembang en Jakarta internationale roem te verwerven. Niet dat ik ze het misgun, maar ik dacht stiekem toch wel even: wie zijn dat ook al weer en waarom zij? Hoe werkt dat?

Maar goed, wij mochten dus naar Iran, maar dan wel zonder Jean Pierre Rawie. Wel, na de valse start bleek ons zevendaags verblijf daar een zeer bijzondere ervaring. Dat zat er ook wel een beetje in. Want je kunt van Iran zeggen wat je wilt, het land wordt geleid door tamelijke dubieuze figuren en de persoonlijke vrijheden worden er lelijk beknot, zeker die van vrouwen, maar Iran, of zeg maar Perzië, is wel zo half en half de bakermat van de poëzie. De oude dichters van vele eeuwen geleden zoals Saadi, Hafez en Omar Khayyam worden er allen nog steeds met liefde gelezen en geëerd. En zij hebben grote invloed gehad op de internationale literatuur. Zelfs ik heb na lezing van de vertalingen van Fitzgerald en de oudere navolgingen van onder anderen Boutens en Leopold een aantal Perzische kwatrijnen (de bundel Meisjesgenade, 1980) geschreven, waarbij de invloed van Omar Khayyam zo hier en daar toch merkbaar moet zijn.

Mijn dichterlijke aanwezigheid in Iran beperkte zich dan ook niet alleen tot een voordracht uit eigen werk voor de Nederlanders op donderdag 15 juni tijdens een feestavond in de Nederlandse residentie, het royale woonhuis van de ambassadeur en tevens ons logeeradres. Dat was het gewone werk en de gedichten werden wederom met smaak geconsumeerd, net als het gereedstaande buffet en de alcoholische dranken (die hier binnenshuis natuurlijk wel genuttigd worden, zolang de profeet het maar niet ziet). Nee, deze voordracht op zichzelf was niet zo bijzonder, of het moest zijn dat zich onder mijn aandachtige en dankbare gehoor ook mijn provinciegenote Lenie 't Hart bevond, een vrouw die blijkbaar overal ter wereld opduikt waar maar zeehondjes te redden vallen.

Naast de voordracht was er veel meer rond mijn bezoek georganiseerd, de ambassade had niet stil gezeten. Het begon al de eerste avond met een dineetje in een Thais restaurant met een aantal, zo was dat aangekondigd, "interessante mensen". Het betrof uiteindelijk vooral ambassadepersoneel, maar ook een aardige vrouwelijke tolk (Parisvash), die mij de dagen daarna terzijde zou staan, een vriendelijke en zeergeleerde professor aan de universiteit van Teheran, die zich openlijk zeer kritisch over het huidige bewind uitliet, en een poëzie-uitgever. De man overhandigde mij met enige trots een bundel in het Farzi van onze eigen VSB-prijswinnaar Arjen Duinker, waarschijnlijk de enige moderne Nederlandse dichter die in het Farsi vertaald en uitgegeven is. Zijn foto prijkte voorop omdat de voorkant voor de Iraniërs de achterflap is: ze lezen daar van achter naar voren. De foto was trouwens het enige herkenbare, de tekst was voor mij volledig abracadabra, maar dat zijn de meeste gedichten van Duinker in het Nederlands voor mij ook, dus dat maakte niet zoveel uit. En misschien moet ik ze in het Nederlands ook wel van achter naar voren lezen. Ach, het blijft een kwestie van smaak, iedereen verdient de dichters van zijn eigen voorkeur. Maar toen ik de bundel kreeg overhandigd, dacht ik stiekem toch weer even: wie is dat ook al weer en waarom hij? Hoe werkt dat?

Op woensdag 14 juni stond er een ontmoeting tussen Iraanse en Nederlandse dichters op het programma, in de Nationale Bibliotheek van Teheran, een gloednieuw en nogal prestigieus gebouw van formaat, ruim van opzet en van alle moderne gemakken voorzien. In mijn eentje vormde ik dus het contingent Nederlandse dichters en de, zoals men met nadruk verzekerde, "vooraanstaande" Iraanse dichters waren vijf in getal. Na een uitgebreide rondleiding door de bibliotheek (met een fraaie afdeling oude handschriften) werden we naar een chique conferentieruimte geloodst die naast de dichters gevuld werd door een aantal belangstellenden en bobo's. Ook was er veel media-aandacht: onze door de ambassade toegewezen vaste chauffeur vertelde daags nadien nog vol bewondering dat hij mij op de televisie had gezien: dat is kennelijk overal ter wereld zo ongeveer het hoogste wat je kan overkomen.

Tijdens de ontmoeting kreeg ik na de nodige strijkages als eerste het woord. Ik hield een korte inleiding over het voor Iraniërs onbekende instituut van Dichter des Vaderlands en over de stand van de Nederlandse poëzie, een inleiding die keurig in het Farzi werd vertaald. Daarna bracht ik ter demonstratie een aantal van mijn eigen gedichten in het Engels ten gehore die ik voor de gelegenheid de week ervoor snel nog even had laten vertalen door Renée Delhez-Van de Wateren, een oude vriendin en studiegenote, die dat vlot en vakbekwaam kan. Ik heb geen idee in hoeverre mijn woorden overgekomen en gewaardeerd zijn, maar er was in elk geval beleefd applaus. Daarna was het woord aan mijn Iraanse collega’s. Zij zouden vragen stellen en zelf ook wat voordragen, maar daar kwam niet zoveel van terecht, althans niet van die eigen voordracht. En de vragen bleken eerder ellenlange vertogen te zijn, bijvoorbeeld over het feit dat dichters de meest gevoelige mensen ter wereld zijn en dat zij een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid bezitten en meer van dit soort twijfelachtige open deuren en ik geloof dat de enige vraag die na zo'n vertoog geformuleerd werd, was of ik dat met hen eens was. Ik heb de zaak maar een beetje gerelativeerd en geantwoord dat ik veel (ondichterlijke) mensen kende die veel gevoeliger zijn dan ikzelf, maar dat een dichter nu eenmaal de macht van het woord bezit, maar dat hij daarnaast ook de taak heeft om, bijvoorbeeld wat de politiek betreft, de wereld wat minder absoluut te bekijken en ook een andere kant te laten zien. Of mij dat in dank is afgenomen, betwijfel ik. Want steeds duidelijker werd dat het uitnodigingsbeleid voor deze bijeenkomst nogal eenzijdig was. De Iraanse Nationale Bibliotheek is een bolwerk van loyaliteit aan het bewind, de directeur bijvoorbeeld is de directe culturele adviseur van de Iraanse president Ahmadinejad. En alle dichters die op de ontmoeting aanwezig mochten zijn, waren dan ook van gezagsgetrouwe signatuur. Dat was ook de reden, zo is mij later in vertrouwen meegedeeld, dat de ontmoeting door andere, meer vrijgevochten, dichterbroeders geboycot is.

De enige genodigde die naar mijn idee een wat genuanceerder verhaal had was collega Soheil Mahmoodi, een onbetwiste grootheid in Iran omdat hij als dichter een eigen goed bekeken televisieprogramma heeft waarin hij andere dichters ontvangt en interviewt. Zo'n programma heeft daar dus blijkbaar recht van bestaan, dacht ik jaloers, iets wat binnen ons vaderlandse cultuurarme omroepbestel al lang niet meer mogelijk is. En als ik het goed begrepen heb, gaat die Mahmoodi in zijn programma omzichtig te werk: hij laveert een beetje tussen de partijen door en probeert iedereen te vriend te houden en zegt soms zelfs wel eens iets gedurfds, bijvoorbeeld dat vrouwen dezelfde rechten moeten hebben als mannen. Dat mag kennelijk, dichters hoef je toch nooit helemaal serieus te nemen. In zijn uiteenzetting was hij tot wanhoop van mijn tolk regelmatig onvertaalbaar poëtisch, maar uit zijn mond tekende ik in elk geval wel de mooiste zin van de middag op, te weten: "als alle politici hetzelfde zouden zeggen, zou de wereld een paradijs zijn - als alle dichters hetzelfde zouden zeggen, zou de wereld een hel zijn". Een wijze uitspraak, die ook sommige Nederlandse dichtende collega’s ter harte zouden kunnen nemen.

De bijeenkomst duurde al met al ruim twee uur en werd besloten met een 'Iraanse borrel', dat wil zeggen veel thee en zoete koekjes. Maar daar werd mij weinig tijd voor gegund. Ik moest mijn opwachting maken voor de televisiecamera, allerlei visitekaartjes in ontvangst nemen met een begeleidende toelichting en in een aantal interviews antwoorden formuleren op moeilijke vragen (bijvoorbeeld over de kansen van het voortbestaan van het Farsi). En afscheid nemen van Iraniërs vergt heel veel tijd: veel woorden en lichte buigingen en handreikingen, maar dat laatste geldt natuurlijk alleen de mannen.

(Lees verder over het bezoek van Driek van Wissen aan Teheran in Dichters in Teheran 2.)

© Driek van Wissen