Uit de kunst

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Ook nu ik inmiddels al twee jaar in functie ben, word ik nog onverminderd van vele kanten benaderd om gelegenheidsverzen te schrijven en aanwezig te zijn en op te treden bij allerhande feestelijke of literaire bijeenkomsten. Zo voltooide ik de afgelopen tijd onder andere een lofzang op de steden Almelo en Almere en hield ik onder meer een toepasselijke voordracht voor de Algemene Rekenkamer in Den Haag, het jubileumcongres van de Nederlandse kaakchirurgen in Groningen en de bewonersorganisatie Zuid-West Friesland. Maar ook bij de Vrouwen van Nu (en gisteren en eergisteren) in Assen en een chique etentje voor de top van het ministerie van minister Karla Peijs in kasteel De Haar was ik poëtisch present.

En natuurlijk heb ik ook de enige keiharde verplichting van de Dichter des Vaderlands, het aanleveren van minstens 4 gedichten per jaar over de actualiteit aan de NRC, niet uit het oog verloren. In januari van dit jaar wijdde ik derhalve een sonnet aan de storm die dik 24 uur wereldnieuws was in Nederland en begin februari schreef ik het gedicht 'Motto' over het bereikte regeerakkoord van ons vrolijke kabinet Balkenende 4. Tel daar nog het feit bij dat ik de afgelopen maanden druk bezig ben geweest met een verhuizing binnen Groningen (als Dichter des Vaderlands behoort een mens toch een beetje op stand te wonen) en u begrijpt dat het geen luiheid maar overstelpende drukte is geweest waardoor deze column niet tijdig ververst is.

Daarnaast zijn ook de verzoeken om plaats te nemen in allerlei jury’s nog altijd aan de orde van de dag. Zo nu en dan gaan die verzoeken mijn competenties (zoals dat tegenwoordig zo mooi heet) ver te buiten en te boven, bijvoorbeeld bij mijn lidmaatschap van de jury die de leukste straat van de stad Groningen moest aanwijzen, maar vaker wordt er (zelden tevergeefs) een beroep gedaan op mijn vermeende literaire onderscheidingsvermogen. Dit onder andere bij een poëziewedstrijd, uitgeschreven via de weblog van De Volkskrant, een verhalencompetitie van De Riepe, de straatkrant van mijn woonplaats Groningen, een voorselectie bij de verkiezing van de nieuwe stadsdichter van Lelystad en gedichtenwedstrijden voor de klanten van Nuon en voor scholieren in Almelo. Die klanten van Nuon moesten natuurlijk dichten over energie, de kinderen in Almelo waren thematisch geloof ik vrij. Alleen was er voor hen wel een restrictie: in het reglement van de dichtwedstrijd, vastgesteld door de almachtige School der Poëzie in Amsterdam, was bepaald dat het gedicht niet mocht rijmen. Dit was mij als jurylid natuurlijk te gortig en ik heb dan ook een krachtig protest laten horen. En het tegenargument dat het rijm gemakkelijk tot clichétaal leidt en daarom uit den boze was, vond en vind ik nog steeds onvoldoende. Natuurlijk, als je bij welke poëziewedstrijd ook als jurylid bij de beoordeling van de torenhoge stapel ingezonden gedichten een eerste schifting maakt, vallen verreweg de meeste rijmende gedichten af omdat het cliché en de rijmdwang het vers verknoeien, maar om dan maar het rijm (een van de oudste wezenlijke kenmerken van de poëzie) per oekaze te verbieden, is op z’n minst zeven bruggen te ver.

Als je dan toch een School der Poëzie hebt, leer de jeugd dan maar hoe ze het rijm wel functioneel en esthetisch kunnen gebruiken naast al die andere modernere trucjes die het gedicht in het slechtste geval evenzeer clichématig maken. Maar nee, in sommige kringen is de rijmhaat diep ingebakken en zo komt het dat er tegenwoordig allerlei bloemlezingen van gedichten van scholieren verschijnen waar niet één rijmend gedicht in staat. Foei!

Niet alleen een flinke hoeveelheid jurylidmaatschappen, maar ook tal van verzoeken om bij presentaties eerste exemplaren van boeken in ontvangst te nemen leiden sinds jaar en dag de aandacht voor de eigen Muze een beetje af. Ook in dit soort gevallen kan ik maar moeilijk nee zeggen, ik beschouw het zo half en half als een verplichting. Maar in sommige gevallen doe ik het graag, zeker als je de schrijver kent en ook nog eens een zekere verwantschap ervaart. Bijvoorbeeld bij een bundeltje luchtige natuurgedichten van mijn stadgenoot Koos Dijksterhuis, dat vlak na Sint Juttemis bij de uitgeverij Liverse zal verschijnen. En natuurlijk helemaal ten aanzien van de 'Jobsiade', een beroemd Duits komisch heldendicht uit de achttiende eeuw dat door mijn goede vriend Ard Posthuma geestig en kundig in het Nederlands vertaald is en begin februari verscheen bij de uitgeverij Kleine Uil (Groningen), een boek dat ik iedereen die van de gedichten van De Schoolmeester houdt van harte kan aanbevelen.

Ook een eerste exemplaar van een bloemlezing uit het werk van de Noord-Groningse dichter Johan Pol had ik in het late najaar van 2006 graag in ontvangst genomen, ware het niet dat ik verhinderd was. Johan Pol was een light-versedichter die onder andere een aantal vakbekwame en grappige rondelen schreef. Maar kennelijk was, zoals bij meer navolgers van Piet Paaltjens, het vrolijke vers niet meer dan schijn en een strohalm om zich in het harde leven aan vast te klampen. En uiteindelijk biedt de poëzie dan toch te weinig houvast en is het, net als met Piet Paaltjens, ook met Johan Pol in 2005 treurig afgelopen. Bij wijze van eerbetoon schreef ik voor de bloemlezing  'De opa van Jezus' wel het volgende voorwoord, uiteraard in de vorm van een rondeel:

Verdiep u in de geest van Johan Pol
En in zijn eigen kwelgeest diep van binnen
Die hij met woorden wilde overwinnen,
Al schreef hij ogenschijnlijk voor de lol.

De ongerijmdheid van de wereldbol
Ging hij op rijm te lijf in mooie zinnen.
Verdiep u in de geest van Johan Pol
En in zijn eigen kwelgeest diep van binnen.

Dankzij de pen hield hij het kranig vol,
Een leven lang vol plussen en vol minnen,
Tot er niets meer voor hem viel te beginnen
En hij toch stukliep op zijn dubbelrol.
Verdiep u in de geest van Johan Pol.

Maar ondanks allerlei nevenwerkzaamheden heb ik de afgelopen maanden het contact met de eigen Muze goed onderhouden. Niet alleen verscheen vorig jaar vlak na sinterklaasavond deel 2 van de Rijmkroniek des Vaderlands die ik samen met mijn dichtervriend Jean Pierre Rawie schreef, daarnaast kon ik ook weer mijn favoriete sonnettettes over de actualiteit van het afgelopen jaar bundelen in een boekje met als voorspelbare titel Het jaar 6. En in steendruk zagen ook (op instigatie van een multimediabedrijf) een aantal van mijn diepzinnige tegeltjeswijsheden:

Toch past er in de regel
Geen wijsheid op een tegel

of:

Wie van vissen houdt
Houdt niet van vissen

het licht. En ook verleende ik mijn dichterlijke medewerking aan het boek Hart voor elkaar dat eind 2006 verscheen bij uitgeverij Terra Lannoo. Het boek is gevuld met kleurige reproducties van de doeken van de cardioloog Menno Baars, die in zijn vrije tijd ook een vrolijke veelschilder is, afgewisseld met een aantal nog onuitgegeven gedichten van mijn hand. Afgezien van een enkel schoonheidsfoutje (bij mijn vertalingen van een aantal gedichten van Erich Kästner staat nergens vermeld dat het om vertalingen gaat!) is het een rake combinatie geworden in een fraaie uitgave, die in een royale boekenkast niet zal misstaan. En ook voor dit boek schreef ik natuurlijk een voorwoord in versvorm. Dit keer een sonnet waarin ik een parallel trek tussen de schilderkunst en de dichtkunst:

Uit de kunst

Wie aan een nieuwe schepping wil beginnen
Omdat de oude buitenwereld hier
Te weinig uitzicht biedt, richt zijn vizier
Op wat hij zich heeft voorgesteld van binnen.

Hij weet zich daar een wereld te verzinnen
Die vorm krijgt op persoonlijke manier:
In woorden op het willige papier
Of uitgestreken op het ruwe linnen.

En ook al lijkt het allemaal gelogen
(Zo zit het leven echt niet in elkaar)
Toch brengt zo’n eigenwijze kunstenaar
Ons alle dingen anders onder ogen
En als de inkt of verf begint te drogen
Wordt deze eigen wereld meer dan waar.

© Driek van Wissen