Van het Moddergat tot Mozambique
Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Nog steeds, en steeds vaker, krijg ik verzoeken om gelegenheidsgedichten te maken. De opgegeven onderwerpen variëren van het ontwerp van nieuwe designschoenen (voor een modeshow in Enschede), de dakkapel (bij de opening van een Gronings bedrijf dat doven in dienst heeft die dakkapellen maken), de schaaksport (voor het nieuwe schaaktijdschrift Matten) tot de BTW (voor de BTW-adviseurs van Deloitte) en het 22e lustrum van mijn oude studentenvereniging Albertus Magnus in Groningen toe.
Al deze onderwerpen en nog veel meer heb ik de laatste maanden bezongen. En nog meer verzoeken heb ik al dan niet met pijn in het hart afgewezen, bijvoorbeeld voor gedichten over verjaardagen, geboorten, huwelijken en andere partijen van mij onbekende personen of over onderwerpen waarbij ik mijzelf te weinig geschikt en/of deskundig weet om daar een poëtisch oordeel over te vellen. Om maar wat te noemen: over een vuurwerkvrije jaarwisseling of over nieuwe kolencentrales in Groningen.
In veel gevallen moet ik niet alleen met de pen in actie komen, maar word ik ook genood om bepaalde bijeenkomsten in levende lijve op te luisteren. Zo mocht ik bij tal van openingen opdraven, onder andere van een kunstroute in Noord-Groningen en –Friesland, een audiologisch centrum in Assen, de Nacht van de Fooi (op 2 juni, een nacht waarin cafés in heel Nederland de helft van de fooienpot weggeven voor het goede doel) en de Onderwijs Research Dagen in mijn woonplaats Groningen.
En bij voorkeur van de organisatoren bestaat mijn openingshandeling dan onder andere uit het voorlezen van een gelegenheidsgedicht. En zelden stel ik de organisatoren teleur. Ook niet bij de afsluiting van het project 'De Postbus van God' van de Groningse kunstenaar Johan van der Dong, die een jaar lang een postbus in beheer heeft gehad waar mensen hun brieven aan God naar toe konden zenden, brieven die op paaszaterdag 7 april ongelezen ritueel werden verbrand op het Fries-Groningse wad ter hoogte van Paesens Moddergat.
Tijdens die rituele verbranding bracht ik op de dijk een gelegenheidsgedicht ten gehore met als titel 'Brieven aan God'. Daarin zette ik dichterlijk mijn vraagtekens bij de zin van het schrijven van dat soort brieven. Ik gaf tal van voorbeelden van situaties waarin mensen tot zo'n wanhopige brief besluiten. Een tweetal coupletten ter demonstratie:
De hond is ziek, het kunstgebit verrot,
De drank is op, er dreigt een loonsverlaging,
De band is lek, de trein heeft weer vertraging
En noem maar op, het is gewoon te zot,
En toch schrijft iedereen een brief aan God.
Maar dat doet men natuurlijk voor Piet Snot:
Al valt het al die brievenschrijvers tegen
Geen mens heeft ooit een briefje teruggekregen,
Want ook al is de Here polyglot,
Hij leest slechts Mulisch, maar geen brief aan God.
Het gedicht telde maar liefst elf coupletten en was, zoals de geoefende lezer al vermoedt, een rijmgalerij op de rijmklank –ot. Ik doe dat wel vaker. Het rijm is dan gedeeltelijk een handige vlucht voor het geval je over een bepaald onderwerp te weinig weet, maar het is tegelijkertijd inspirerend en kan bij juiste toepassing en een lekkere refreinregel uitermate humoristisch werken. Dan is het rijm de losliggende stoeptegel waar de Dikke en de Dunne steeds weer over struikelen.
Veel van de bovengenoemde verzoeken kwamen trouwens uit de noordelijke provincies, in het bijzonder Groningen. Maar ook in de rest van het vaderland mocht ik regelmatig een duit in het literaire zakje doen. Voor de assistentendag mondheelkunde in Zeist, het jubileum van de voetbalvereniging 'De Zwaluwen' in het KNVB-sportcentrum in Zeist en voor het bedrijf 'Beurtvaartadres' te Nootdorp (waarvoor ik een aantal gedichten voor op de muren schreef). En ga zo maar door.
En ook het buitenland riep. Bijvoorbeeld voor een optreden op 22 maart in de Nederlandse ambassade in Brussel (samen met Tjitske Jansen en Jean Pierre Rawie). En ook tijdens mijn vakantie in mei in Mozambique was er door een alerte ambassademedewerker in een piepklein theatertje in de hoofdstad Maputo een voordrachtsavond georganiseerd waar ik voor de Nederlandse en Belgische (of beter: Vlaamse) gemeenschap uit eigen werk mocht voorlezen. Er was een dankbaar publiek van zo’n dertig zielen met daarbij nogal wat levenslustige doch hoogbejaarde missionarissen. Goddank had ik voor hen ook nog een paar missionarisgedichten in voorraad.
Toch is het een feit dat er in het Noorden des Nederlands vaker een beroep op mij wordt gedaan dan elders. Wat men van ver haalt, is lekker, maar wat men van dichtbij haalt, is kennelijk meer vertrouwd. Bovendien is die verhoudingsgewijs mindere belangstelling volgens mij bijna automatisch het lot van iedereen uit 'de provincie'. Als bekende Nederlander behoor je in het Westen des lands te wonen, anders blijf je maar op z’n hoogst een halfbekende Nederlander. Uitzonderingen daargelaten. De aandacht van de media is nu eenmaal eenzijdig. Dat geldt mijns inziens vooral voor de radio en de televisie. Ik ben er van overtuigd dat als je niks beters te doen hebt en zou gaan turven, zou blijken dat er in spraakmakende televisiepraatprogramma’s zoals 'Pauw & Witteman' en 'De wereld draait door' percentagewijs een geweldige oververtegenwoordiging van westerlingen bestaat.
Ik ben nog gevoed in deze overtuiging door de belangstelling voor het tweede deel van de Rijmkroniek des Vaderlands, een serie die ik samen met mijn dichtervriend Jean Pierre Rawie het licht doe zien. Of laat ons zeggen: het gebrek aan belangstelling. Ondanks de goede kritieken en de veelgehoorde waardering van veel lezers ten aanzien van deel 1 is deel 2, dat in december 2006 verscheen, zo goed als onopgemerkt gebleven. Nu was de promotie door de uitgever (Prometheus/Bert Bakker) al niet om over naar huis te schrijven, maar de respons in de media was ook bijzonder gering. Dan kun je klagen wat je wilt, daar helpt geen lieve moedertje aan, maar bij navraag bleek wel dat de argumentatie voor de geringe publiciteit opmerkelijk was. Volgens de redactie van sommige programma’s was ik als Dichter des Vaderlands te bekend en al te vaak op de buis geweest. Nog meer media-aandacht zou leiden tot overexposure! Zo werkt de bekendheid dus tegen je, is men geneigd te veronderstellen, maar desondanks geloof ik heilig dat als laat ons zeggen Joost Zwagerman mede het boek geschreven had (als hij dat zou kunnen), de reactie heel anders zou zijn geweest.
Maar binnenkort komt het helemaal goed met mijn nationale roem. Op 13 juni genoot ik namelijk het voorrecht aanwezig te mogen zijn bij de Nationale Haringpartij op Nijenrode, een van de chicste feestjes die er in ons land bestaan, een feest waar het vooral zwart ziet van vooraanstaande VVD'ers en andere bekende Nederlanders, kunstenaars zo goed als uitgezonderd. Maar ik mocht daar warempel en ook nog met succes voordragen tijdens de besloten high tea voorafgaande aan de partij. Dit natuurlijk ombezoldigd, want naar een van de organisatoren mij verzekerde zou ik met mijn optreden in zo'n duur gezelschap zoveel reclame voor mijzelf kunnen maken dat mij dat later absoluut geen windeieren zou leggen. Het was een investering. Het wachten is dus nu alleen nog op al die goedbetaalde uitnodigingen en de absolute doorbraak, ook in het bevoorrechte Westen.
Uiteraard schreef ik ook voor deze Haringpartij een gelegenheidsgedicht. Aanleiding voor dit sonnet was trouwens niet alleen het partijtje zelf, maar ook de modieuze en tamelijk twijfelachtige gewoonte van allerlei broeders van de pen om zich op te werpen als lijstduwer van de Dierenpartij. Vandaar het volgende sonnet:
Haringpartij en Dierenpartij
Er zijn veel dieronvriendelijke zaken
In onze vaderlandse maatschappij,
Maar ik breng hier de haringvisserij
In opdracht van mijn lijsttrekker ter sprake.
Het is natuurlijk pure hovaardij
Dat ze zo'n haring kelen en dan kaken
En daarbij zelfs een kopje kleiner maken,
Zoals Marianne Thieme tot mij zei.
En dus geldt het als een van onze taken
De rechten van de haring te bewaken.
En toch staat het u allen aanstonds vrij
Dat u zich deze vissen goed laat smaken
Omdat ze toch al dood zijn volgens mij,
Maar dan is het gedaan met de partij.
© Driek van Wissen