Poëzieroutes

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Vaak in de meest letterlijke zin van het woord: er wordt mij van alles gevraagd en dat niet alleen tijdens vrolijke bijeenkomsten en voordrachtsavonden, maar ook in diverse interviews, vooral door de schrijvende pers. Zo heb ik al enige tijd geleden onder andere antwoord gegeven op de vraag naar mijn favoriete fietsroute (Elsevier), mijn visie op de Tien Geboden (Trouw), de inrichting van mijn keuken (het Dagblad van het Noorden) en mijn wiskundige bekwaamheid (Volgens Bartjes). En van recenter datum zijn onder andere een diepte-interview over de manier waarop ik mijn vierenzestigste verjaardag zou gaan vieren (de Margriet), een opsomming van de oude programma's waarvan ik een stukje zou willen hervertonen als ik ooit zou mogen figureren binnen een televisieavond van Zomergasten (de VARA-gids) en een uitgebreide beschrijving van eigen hand van het werk van mijn kersverse buurvrouw (De Volkskrant, Banen).

En niet zelden wordt er dan ook nog eens van je verwacht dat je je visie op het opgegeven onderwerp poëtisch verwoordt, je bent nu eenmaal Dichter des Vaderlands of je bent het niet. De laatste maanden heb ik bijvoorbeeld op dringend journalistiek verzoek de beginzin 'Komt een vrouwtje bij de dokter…' tot een kort versje aangevuld (de Leeuwarder courant) en heb ik in een sonnet voor de EO (de Ochtenden) antwoord gegeven op de vraag waarom en in hoeverre ik trots ben op Nederland. En toen ik gevraagd werd om in het kader van de week van de bestrijding van het analfabetisme (half september) mee te doen met het tv-spelprogramma Lingo ging de uitnodiging natuurlijk vergezeld van het verzoek voor deze gelegenheid een kort vers te produceren. Dit vers zou dan onder andere moeten gaan over de vorm en inhoud en de medewerkers van dit programma Lingo, over de geschiedenis van het analfabetisme in Nederland en de wereld, over het nobele werk van de Stichting Lezen en Schrijven die in ons land het analfabetisme voortvarend aanpakt en over de wijze waarop je als analfabeet met deze Stichting in contact kunt komen, liefst met telefoonnummer en e-mailadres en al.

Het lijkt erg veel hooi voor een kleine dichterlijke vork en dat is het ook, maar het is wel een mooi voorbeeld van de wijze waarop een verzoek voor een gelegenheidsgedicht doorgaans wordt aangeleverd, men meent dat een dichter in veertien regels eindeloos veel kan zeggen. In diepste zin gaat die vlieger natuurlijk vaak op, maar wat betreft de feitelijke informatie is een strenge beperking noodzakelijk. Hoe het ook zij, het is het volgende sonnet geworden:

Ik ken een zesentwintigletterwoord
Dat ik aan iedereen kan aanbevelen
Die net als ik ooit Lingo moet gaan spelen
En dan natuurlijk graag het hoogste scoort.

Maar wie dat woord op school reeds heeft gehoord
Kan daarmee ook op schrift iets mededelen
En sms'en, googelen en mailen
En zelfs gedichten lezen enzovoort.

U hebt het al geraden naar ik wed,
Maar anders geef ik nog een kleine hint:
Het is een woord dat met een A begint
En op het einde staat de letter Z.

Welnu, het woord waarmee je altijd wint,
Je hele leven lang, is alfabet.

Wat mij betreft was de voordracht van dit sonnet het hoogtepunt van de uitzending, want verder was het spelletje een regelrechte afgang. Ik hoop maar dat Ilja Leonard Pfeiffer niet gekeken heeft, maar ik zal u als lezer van deze rubriek mijn dommigheid toch maar niet onthouden, als u het tenminste niet verder vertelt. Het absolute dieptepunt was namelijk het moment waarop ik van tien letters in willekeurige volgorde een goed Nederlands woord moest maken. En tot op het laatst zag ik niet dat deze tien letters een anagram vormden van het woord 'sonnetvorm'. Yvonne Kronenberg, mijn charmante tegenspeelster, vroeg zich onmiddellijk hardop af wat ik in hemelsnaam voor een prulpoëet was en ze had gelijk. Ik kon wel door de grond gaan en één ogenblik had ik het idee dat ik na zo'n flater onmiddellijk zou dienen af te treden als Dichter des Vaderlands, maar ik heb me toch maar vermand.

Gelukkig weet ik zo nu en dan nog wel enige waardering te scoren tijdens een keur aan voordrachtsavonden en –middagen. Al is het aanbod in de zomermaanden wat dunner gezaaid, de poëzieminnaar kan ook dan toch nog altijd zijn oren genoegzaam de kost geven en de dichters zijn in deze vakantieperiode niet geheel brodeloos. Zelf was ik onder andere sprekend aanwezig bij een poëzieavond in het Drentse dorp Wezup (23 juni), bij de manifestatie 'Dichters in de Prinsentuin' in Groningen (25 tot en met 27 juni) en een dichterlijk high tea in het openluchttheater van Velp (26 augustus). Wat mij ook nu weer opviel bij deze bijeenkomsten is het verschil in publieke opkomst. In Velp mocht ik mijn handjes dichtknijpen met een (aandachtig en sympathiek) gehoor van zo'n vijfentwintig dames en heren van wat rijpere leeftijd en in Groningen in de Prinsentuin waren er minstens vijftig aanwezigen, al bestond dit publiek dan wel voor het grootste deel uit de andere dichters die later nog aan de bak moesten of eigenlijk wel aan de bak gewild hadden. Maar in het kleine, rustieke dorp Wezup (ik had er nog nooit van gehoord), waar de optredenden hun verzen ten gehore brachten in de delen van een aantal oude en fraaie boerderijen, waren maar liefst 2000 liefhebbers komen opdagen. Het kan zijn omdat het gratis was en de Drenten vormen naar men zegt een spaarzaam volkje, maar het verbaasde me toch.

Een aantal manifestaties zoals daar zijn de Nacht van de Poëzie in Utrecht, de poëzieavond in de tuinen van Deventer voorafgaande aan de jaarlijkse grote boekenmarkt en Dichter aan Huis, het optreden van een royale selectie dichters in de rijkeluishuizen in Den Haag, hebben dankzij de traditie over belangstelling niet te klagen, maar verder is het voor een dichter vaak maar afwachten. De ene keer is een toch al klein zaaltje ternauwernood maar half gevuld en de andere keer puilt het gebouw uit. Dat overkwam mij bijvoorbeeld in het voorjaar in Helmond, waar ruw geschat zo'n 400 man op de gezellige avond waren afgekomen. Het kan met de bevolkingsstructuur te maken hebben of met wat er toevallig op tv is of met de publiciteit, maar de verschillen blijven tamelijk raadselachtig. Het lijkt me een mooi onderwerp voor een sociologische studie.

Of nog een schrijnend voorbeeld. Op zondag 23 september was ik aanwezig bij de opening van de Poëziestraat op de Kempen Campus in Veldhoven. Nu was er in het centrum van Veldhoven ook van alles te doen, daar vond de jaarlijkse manifestatie 'Tussen Kult en Tumult' plaats. Daarom reden er bussen af en aan tussen de beide locaties en in die bussen mocht je als dichter onderweg voorlezen uit eigen werk. Een aardig idee, alleen waren er nauwelijks buspassagiers en heb ik een paar gedichten laten horen aan de chauffeur en de enige andere inzittende, een lieftallige organisatrice.

Maar de poëzieroute op de school was een juweeltje. Tussen de vijf of zes gebouwen van de brede scholengemeenschap was een wandelroute aangelegd waarlangs op 15 plaatsen fraai vormgegeven gedichten van 15 uiteenlopende dichters (van Remco Campert tot Karel Eykman, van Rutger Kopland tot Seth Gaaikema) waren aangebracht. Dit op hopelijk vandalismebestendige wijze, al zou het kunnen dat men daar niet al te bang voor hoeft te zijn. De gedichten zijn erg toepasselijk en stuk voor stuk en elk op eigen wijze toegankelijk en het zou best kunnen dat hier de jeugd gaandeweg al een beetje liefde voor de poëzie krijgt bijgebracht. Het is te hopen. Ik leverde het volgende sonnet:

Terloops

Waarschijnlijk ben je op je vaste route
Ook gisteren langs deze plek gegaan
Zonder toen acht op dit gedicht te slaan
En maakte je terloops je uit de voeten.

Maar stel dat je wel stil was blijven staan
En niet zo nodig verder had gemoeten
Dan had je nu jezelf kunnen begroeten
En keek je je hier onderzoekend aan.

Natuurlijk had je op jezelf geleken,
Maar toch, al is het onderscheid beperkt,
Wanneer je ook van binnen had gekeken
Dan had je vast wel het verschil gemerkt
Omdat voortdurend kennis wordt verwerkt
En je in één dag heel wat op kunt steken.

© Driek van Wissen