Wie van de drie?

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. En zijn muze is een veelgevraagde vrouw. Want vanzelfsprekend is en blijft de belangrijkste vraag het schrijven van gedichten. Gedichten voor diverse thematische bundels, bijvoorbeeld over trendy schoenen, Elvis Presley of door de NS gevonden voorwerpen - of gedichten bij allerlei speciale gelegenheden, van de viering van het twintigjarig bestaan van het BPS (Bedrijfs Processen Systeem) van de politie (in Almere) tot de uitverkiezing van mijn Groningse stamcafé 'De Wolthoorn & Co' tot het beste café van Nederland en het afscheid van een alom geliefde dorpsdokter (Schoonoord) toe.

En tegen sinterklaastijd wordt de vraag natuurlijk nog groter. Want het feit dat ik door mijn tegenstrevers regelmatig voor rijmelaar en sinterklaasdichter word uitgemaakt, legt mij geen windeieren. Men weet mij te vinden. Zo mocht ik dit jaar voor het eerst de Sinterklaas van de Rabobank op rijm laten voorlezen uit het grote boek. En al voor de derde keer schreef ik in opdracht van 's lands grootste kruidenier het gedicht dat alle medewerkers van Albert Heijn bij het jaarlijkse sinterklaascadeautje te lezen krijgen. Ik mag het eigenlijk niet verklappen dat ik de auteur ben, maar omdat de literaire belangstelling van de gemiddelde winkelbediende beperkt is, neem ik voor het gemak maar aan dat ze dit verslag niet onder ogen krijgen en dat ze ook volgend jaar geen idee hebben welke dichtpiet hun hartje weer sneller doet kloppen. Er is in elk geval een mooie traditie geschapen en ik neem aan dat vanaf 2009 de inmiddels vaste opdracht ook over zal gaan naar mijn opvolger of opvolgster als Dichter(es) des Vaderlands. Mits hij of zij natuurlijk bereid en bekwaam is om zich te verlagen tot de vormvaste sinterklaaspoëzie.

Maar dan loop je wel een gerede kans op een negatieve beoordeling van het merendeel van onze toonaangevende pennenstrijders. Vormvaste poëzie en zeker rijmende poëzie is bij hen niet populair. En dat laten ze mij zo nu en dan geducht merken. Jan Blokker, een columnist die ik zeer bewonderde en nog bewonder, voorop. Hij heeft al een aantal malen de kans gegrepen om zijn ergernis over mijn gedichten te uiten en eind oktober was het weer raak. Bij gelegenheid van het overlijden van Jan Wolkers had ik voor NRC Handelsblad een sonnet geschreven, getiteld 'Dag Jan', waarvan het octaaf als volgt luidde:

Wie liefdevol zijn leven nabeschouwt
Ziet al te goed hoe het verkeren kan,
Hoe of een jonge god tot broze man
Door Moedertje Natuur werd omgebouwd.

Hij was zo zichtbaar en aandoenlijk oud
En ook al werd de oude jonge Jan
In wezen er bepaald niet anders van,
Er was voor hem geen kans op lijfsbehoud.

Twee dagen daarna verscheen op de opiniepagina van dezelfde kwaliteitskrant een bespreking van dit gedicht door de vaste medewerker Jan Blokker, waarin hij mij betitelde als een 'kleine rijmer' die een sonnet vol platitudes en gemeenplaatsen had geschreven. Het is zijn goed recht, ieder zijn smaak, en waarschijnlijk was dit gelegenheidsgedicht ook geen vers dat mij eeuwige roem zal verschaffen, al schaam ik mij er anderzijds niet voor. Maar minder sympathiek vind ik het feit dat Blokker in zijn niet aflatende strijd tegen de Dichter des Vaderlands zo nu en dan argumenten gebruikt die minder hout snijden. Zo heeft hij al een paar keer gesuggereerd dat NRC Handelsblad mijn verzen voor het vaderland niet altijd op de voorpagina afdrukt als duidelijk bewijs van negatieve waardering (terwijl dit mijn alom gerespecteerde voorganger Gerrit Komrij evengoed overkwam) en dit keer meende hij mij zelfs op een taalfout te betrappen. Hij viel met veel kritische woorden over het woordje 'of' in de constructie 'Hoe of een jonge god…' in regel 3. 'Of' mag je volgens hem alleen maar bij een keuzemoment gebruiken en dat is hier niet aan de orde. Maar volgens mij (en ook volgens mijn beste vriend, de dikke Van Dale) is de uitdrukking met het op zichzelf betekenisloze woordje 'of' heel gewoon in ons dagelijks spraakgebruik. In deze mening werd ik trouwens nog gesterkt door een ingezonden brief voor NRC Handelsblad van Maarten van den Berg uit Den Haag met daarin allerlei voorbeelden uit de vaderlandse literatuur waarbij 'of' op dezelfde wijze gebruikt werd, bijvoorbeeld al door P.C.Hooft, maar ook door onze volksschrijver Gerard Reve. Jammer alleen dat de redactie van de NRC dit gedegen stuk nooit geplaatst heeft, maar ja, daar moeten ze natuurlijk ook Jan Blokker te vriend houden.

Opmerkelijk was trouwens ook dat Blokker schriftelijk toegaf bij lezing van het sonnet niet gemerkt te hebben dat bij eerste publicatie regel 8 in het geheel was weggevallen, terwijl de zin toch allerminst af was. Maar hij was niet de enige. Van een aantal kennissen ontving ik na het verschijnen van het gedicht welgemeende complimenten, maar ook zij hadden de omissie niet in de gaten gehad. Het maakte de complimenten wel wat minder waardevol en het zegt dunkt mij ook iets over de gemiddelde lezer van poëzie, maar wellicht nog meer over de moderne poëzie zelf. Dat er regels wegvallen is niet erg, integendeel: het gedicht wordt er onbegrijpelijker van en hoe onbegrijpelijker hoe beter. Denkt men. 'Ik zal er wel te dom voor zijn', is vandaag de dag een veelgehoorde uitspraak. Nu is onbegrijpelijkheid in de poëzie niet zonder meer verwerpelijk. Hermetische teksten hebben hun eigen aantrekkingskracht en onze kleuters bezigen bijvoorbeeld nog altijd fris en vrolijk het bekende aftelrijmpje 'iene miene mutte'. En elke rechtgeaarde oranjeklant zingt fier met de borst vooruit: 'Wilhelmus van Nassouwe ben ik van Duytschen bloet', al heeft hij geen idee wat hij dan eigenlijk zingt. Als een Fransoos zou zingen: 'Ik ben Napoleon', zou hij onmiddellijk in een dwangbuis worden afgevoerd naar het gekkenhuis, maar in Nederland mag je kennelijk ongestraft beweren dat je een historische persoon bent. Het wordt zelfs op prijs gesteld.

Daarom is elke poging een nieuw en doorzichtiger volkslied te introduceren tot mislukken gedoemd. Ook die van de VPRO die op 10 oktober van het vorig jaar de Avond van het Nieuwe Volkslied uitzond. Zeven tekstschrijvers en componisten mochten een nieuw volkslied creëren, dat ten gehore werd gebracht door een keur aan bekende artiesten. Ikzelf schreef voor die gelegenheid het lied 'Wij zitten goed', op muziek gezet door Pim Koopman en uitgevoerd door Petra Berger en Ernst Daniël Smid. De tekst is maar half positief voor het vaderland en nogal woordspelerig. Het werkwoord 'zitten' komt er op vele wijzen in voor:

Al is ons land met zoveel landgenoten
Ook hemelsbreed van zeer beperkte grootte
En is het op de wereldbol een stip,
Al zitten wij elkaar dus op de lip
En houden wij elkander in het oog,
Al zitten wij soms met elkaar omhoog
En zitten wij elkaar dan op de nek,
Toch zitten wij hier wel op onze plek.
Al zitten wij elkaar vaak in de haren,
Wij doen ons best de vrede te bewaren,
Vandaar dat wij ons haasten te verklaren
In vaderlandsgetrouwe samenzang:
Wij zitten hier met liefde levenslang.
Al is het land dat wij vol trots bezingen
Waar zoveel landgenoten zich verdringen
Ook op de wereldkaart een speldenknop,
Al zitten wij elkaar dus op de kop
En zitten wij steeds bij elkaar op schoot,
Al hebben wij elkaar soms bij de poot
En zitten wij elkander op de huid,
Toch houden wij het met elkaar wel uit.
Wij zijn immers gelukkig in de wolken
Dat wij zo’n prachtig land mogen bevolken,
Vandaar dat wij die liefde graag vertolken
In vaderlandsgetrouwe samenzang:
Wij zitten hier met liefde levenslang.

Het zal de lezer waarschijnlijk niet verbazen dat de stem des volks zich niet voor dit lied heeft uitgesproken. En ook niet voor de in mijn ogen beste inzending, het lied 'Vervelië' van Jeroen van Merwijk. Want Frans Bauer deed ook mee met het lied 'Mijn Vaderland', vol positieve clichés en met een gejatte melodie, dat wel, maar tegen Frans Bauer kan natuurlijk niemand op. Dus hij kreeg verreweg de meeste publieksstemmen en mijn lied belandde net als 'Vervelië' in de achterhoede.

Om als Dichter des Vaderlands het volk toch weer wat milder te stemmen heb ik mij trouwens onlangs wel laten verleiden om een tweetal gedichten te schrijven voor de website van het meest favoriete televisieprogramma van dit moment, te weten 'Boer zoekt vrouw'. De kijkcijfers rijzen de pan uit, zozeer zelfs dat de overmatige belangstelling weer een nieuwsfeit op zichzelf werd en er in het televisiejournaal uitgebreid aandacht aan is besteed. In dat journaal mocht ik ook het octaaf van mijn sonnet 'Wie van de drie', geschreven na aflevering 5, ten gehore brengen. En omdat ik niet van verminkte sonnetten houd, niet van 13 regels en ook niet van 8 regels, krijgt u hier het gehele gedicht onder ogen. Wellicht ook als voer voor psychologen, die hun best doen de immense populariteit van het programma te verklaren:

Wie van de Drie?

Wanneer ik op de buis die boeren zie
Die daar een handvol vrouwen vergelijken
En daarna weer hun voorkeur laten blijken
Zodat er nu nog keuze is uit drie

Zit ik als man meelevend mee te kijken,
Want ik ben onderhand nieuwsgierig wie
Er van die vrouwen met de sympathie
Van hun begeerde boer tot slot gaat strijken.

Wie lief en leuk is en een beetje stoer
Houd ik dan ook nauwlettend in de gaten,
Want zondag komt dat drietal kandidaten
In wezen ook bij mij over de vloer
En wordt de keuze ook aan mij gelaten.
Als kijker ben ik half en half een boer.

© Driek van Wissen