Zeventienmiljoen personen

Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Ook in het laatste jaar van zijn ambtsperiode. Volgens de (ongeschreven) grondwet van het Dichterschap des Vaderlands en ook volgens Bartjes komt er in januari 2009 namelijk een einde aan mijn vierjarige ambtsperiode. Er zouden dus al voorzichtig aanstalten gemaakt moeten worden om de verkiezing van de derde officiële Dichter des Vaderlands te organiseren. Maar tot op heden heb ik van de instanties die het mooie instituut in het leven hebben geroepen (NRC-Handelsblad, Poetry International, NPS en Koninklijke Bibliotheek) taal noch teken vernomen. Zouden ze het vergeten zijn?[*] Of zouden ze wellicht het nationale Dichterschap een zachte dood willen laten sterven? Of verzwijgen ze voor mij alleen maar doelbewust de te volgen procedure uit angst voor het gerucht dat ik mij weer met frisse moed kandidaat zou willen stellen voor een tweede ambtstermijn? Een voornemen dat met flink veel korrels zout genomen dient te worden, al schrik ik er niet voor terug het in een onserieuze bui zo af en toe te opperen.

Het kan natuurlijk ook zijn dat het eigenlijk mijn eigen schuld is dat bij een enkeling de Dichter des Vaderlands een beetje uit beeld verdwijnt, want het is al weer geruime tijd geleden dat ik in NRC Handelsblad in mijn functie van mij heb doen lezen. Het laatste sonnet was immers 'Dag Jan', bij gelegenheid van de dood van Jan Wolkers, in oktober 2007. Wat er toen met dit sonnet gebeurd is (zie Dichter in het Vaderland 16), heeft natuurlijk de animo snel een nieuw gedicht af te leveren niet vergroot, maar ook waren er in de afgelopen maanden nauwelijks inspirerende gebeurtenissen. Ook de vertoning van de film 'Fitna' niet: aan het uitvergroten van deze storm in een glas water wenste ik op geen enkele manier mee te werken. En in tegenstelling tot Gerard Reve en Jan Wolkers had ik te weinig met Hugo Claus om bij diens overlijden de Muze op te zoeken. Maar ik haal de schade nog wel in. Wie weet maakt Beatrix binnenkort bekend dat ze de scepter overdraagt aan Willem-Alexander en ook het ingaan van het rookverbod in de horeca op 1 juli aanstaande vind ik een zaak van nationaal gewicht. Dus ook in 2008 zal ik voldoen aan de verplichting van de levering van vier gedichten per jaar aan NRC Handelsblad.

En daarnaast ben ik dus nog wel degelijk een veelgevraagd man. Ook al omdat je als schrijvend kunstenaar kennelijk geacht wordt van allerlei andere kunstvormen verstand te hebben. Zo mocht ik in het AVRO-televisieprogramma 'Kunstuur' omstandig uitleggen waarom ik zo'n speciale band heb met het beeld van het 'Peerd van Ome Loeks' op het stationsplein in Groningen. En toen het hele Oost-Groningse dorp Ganzendijk in het voorjaar dankzij een voortvarende woningbouwvereniging van de kaart dreigde te worden geveegd, lag het kennelijk voor de hand dat mijn dichtbroeder Jean Pierre Rawie en ik als landschaps- en architectuurkenners daar in 'Nova' ons oordeel over moesten vellen. En zelfs mijn inzicht in de kookkunst wordt blijkbaar, als dat zo uitkomt, hogelijk gewaardeerd. En dus mocht ik ook kort geleden bij het RTL-programma 'Mijn tent is top' mijn onbevooroordeelde voorkeur uitspreken voor het Groningse restaurant 'Bij Jansen'.

De vermeende artistieke veelzijdigheid is er ongetwijfeld ook debet aan dat ik met al te grote regelmaat gevraagd word exposities van beeldende kunstenaars te openen. Vaak zeg ik nee, soms zeg ik ja. Bijvoorbeeld bij een expositie in Groningen van schilderijen van mensen met een psychische stoornis of bij de opening van de jaarlijkse tentoonstelling van de sympathieke stichting 'Tussen Koe en Kunst' in Warmond. En voor het gemak wordt je ook maar zo nu en dan een warme belangstelling voor de natuur toegedicht. Dan kun je als dichter best wel de een of andere openingshandeling verrichten, bijvoorbeeld het planten van de eerste struik in de Westpolder in Noord-Groningen op de landelijke struikplantdag op 15 maart jongstleden. En bij al dit soort gelegenheden wordt er natuurlijk stiekem van je verwacht dat je ook een gelegenheidsgedicht ten gehore laat brengen. En daar ben ik meestal ook niet te beroerd voor. Zo schreef ik voor de struikplantdag het volgende sonnet:

De Struikplantdag

Daar ik mijn hart reeds jaren heb verpand
Aan bierpul, wijnfles en jeneverkruik
En anders liever in de boeken duik
Ken ik onze natuur slechts uit de krant.

Maar soms steek ik, door heimwee overmand,
Mijn hoofd nog wel eens door ons kattenluik,
Waarna ik weer de frisse geuren ruik
Van het door mij versmade platteland.

En wegens deze doodgezwegen band
Maak ik van de gelegenheid gebruik
En neem de spade aanstonds in de hand,

Want ik vind het idee natuurlijk puik
Dat ik vandaag de allereerste struik
Als startschot van uw mooie actie plant.

Daarnaast krijg ik nog elke week verzoeken om gelegenheidsgedichten, waaraan ik doorgaans voldoe, mits de onderwerpen niet al te cliché of al te persoonlijk zijn. Het is, net als voor veel dichtende collega's, ook de belangrijkste bron van inkomsten, tenminste naast het houden van voordrachten. Je kunt voor zo'n gelegenheidsgedicht vaak een niet onaanzienlijk bedrag vragen (al is het niet netjes exacte bedragen te noemen). Natuurlijk niet voor een sonnet voor een prentbriefkaart van de vrijwilligersorganisatie 'De zonnebloem', maar wel bijvoorbeeld voor een gedicht van vijf coupletten voor in het trappenhuis van het nieuwe hoofdgebouw van Achmea in Zwolle of voor een vijftal kwatrijnen over de zintuigen (die ik trouwens voor het gemak en het plezier samen met Jean Pierre Rawie schreef) voor in het jaarverslag van de Friesland Bank.

En nog steeds is schrijven van poëzie een aangename bezigheid, maar voordragen ook. En dus deed het mij deugd dat ik de laatste maanden wederom vele en zeer afwisselende gezelschappen mocht toespreken en onderhouden, zoals de leden van de bedrijfsvereniging Klein Metaal (in Veldhoven), de jubilerende bestuurderen van 125 jaar Horeca Nederland (in Rotterdam), de Vrouwen van Nu (in Emmeloord) en de alumni – kring Noord van de Universiteit van Maastricht (in Groningen). En telkens had ik het idee dat ik een beetje mocht bijdragen tot het welslagen van de bijeenkomst. Vraag het anders maar na.

En intussen had ik ook nog tijd en inspiratie om, na Dierendokter Dik (2005), een tweede kinderboek te schrijven. De uitgeverij Van Goor had mij daarom gevraagd omdat het thema van de komende kinderboekenweek de poëzie is. En dan kan een nieuwe bundel van de Dichter des Vaderlands natuurlijk niet ontbreken. Wel, na enig overleg besloot ik, ook een beetje mijn hoge functie indachtig, een inburgeringcursus op rijm voor kinderen te schrijven. En het boek, dat Wat een land! zal gaan heten en deo volente in september zal verschijnen, is inmiddels af. Vijftig twaalfregelige gedichten over de vreemde gebruiken van de Nederlanders, die ongetwijfeld op fraaie en grappige wijze verluchtigd zullen worden door Jan Jutte. Dat is een van de prettige bijkomstigheden van het schrijven van kinderpoëzie: dat je werk ook nog eens geïllustreerd wordt. Wat bij grotemensengedichten uit den boze is, is bij kindergedichten heel gewoon. Bij wijze van voorpublicatie citeer ik hier ten slotte de twee eerste gedichten:

Je hebt misschien nog geen idee
Hoe zeventienmiljoen personen
In één land kunnen samenwonen,
Zo'n heel klein landje aan de zee,

Dan is het goed dat ik vertel
Hoe in dit land achter de dijken
De mensen naar zich laten kijken,
Want gekke dingen doen ze wel.

Dat hebben zij niet in de gaten,
Want ben je aan jezelf gewend
Dan zie je niet hoe raar je bent.
Maar kijk eens naar hun doen en laten:

                            <><><>

Daar woont bijvoorbeeld een mevrouw,
Die wist als kind al van tevoren
Meteen nadat ze was geboren
Wat of zij later worden zou.

Want zonder officieel diploma
Of een voldoende Cito-toets
Rijdt zij nu in een gouden koets
Net als haar moeder en haar oma.

Daar zit zij vrolijk wuivend in,
Terwijl zij zich een weg moet banen,
Want overal staan onderdanen
Te zwaaien naar hun koningin.

© Driek van Wissen