De laatste maanden
Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Maar zelden is hem iets te veel. Zelfs in de voorbije zomermaanden heb ik voor zeer uiteenlopende gezelschappen mijn stem laten horen en heb ik gelegenheidsgedichten geschreven over allerhande onderwerpen. Zo bevond ik mij zo nu en dan in de zogeheten betere kringen van ons vaderland en mocht ik onder anderen onze verzamelde dijkgraven op hun dijkgravendag toespreken en onze verzamelde commissarissen van de Koningin tijdens hun jaarlijkse uitje. Maar ik voelde me gelukkig ook nog goed genoeg om tijdens een receptie in Sauwerd enige afscheidsgedichten te declameren voor een paar oudgedienden van een plaatselijk timmerbedrijf die er voorgoed het bijltje bij neer zouden leggen en om in het Overijsselse dorpje Muggenbeet een bachelorsdiner van een aantal oud-studenten uit Leiden dichterlijk op te luisteren. En ook de onderwerpen van de door mij gedurende de laatste maanden geschreven gedichten in opdracht waren uitermate divers. Dat varieerde van een gedicht bij gelegenheid van de tweede nationale grondwetsquiz in het Tweede Kamergebouw in Den Haag en een relativerend lofzang op de overvloedige brievenbusreclame tijdens een congres in Haarlem over dit onderwerp tot een sonnet over een viaduct voor het relatiemagazine van het ingenieursbureau Movares in Utrecht. En het is juist die afwisseling die steeds weer inspirerend werkt en die het bestaan van een Dichter des Vaderlands uitermate aangenaam maakt. Never a dull moment.
Ik schrijf dat nou wel, maar dat mag natuurlijk niet van het Ampzing Genootschap. Het Ampzing Genootschap is een gezelschap jongeheren dat mij zeer dierbaar is. Het Haarlemse gezelschap stelt zich namelijk ten doel om in navolging van hun zeventiende-eeuwse voorbeeld Samuel Ampzing het buitensporig gebruik van buitenlandse leenwoorden tegen te gaan. Samuel Ampzing richtte zijn pijlen indertijd op de Franse en Latijnse leenwoorden, het genootschap zelf bestrijdt tegenwoordig vooral de overdadige Engelse invloed. En terecht. Het gebeurt echter niet op een irritante manier, maar met vrolijke liederen en grappige boeken. De leden van het genootschap trappen niet zoals veel andere puristen en taalactivisten in de bekende valkuil, dat zij namelijk in hun fanatisme vervallen in humorloze onverdraagzaamheid en geen enkel moment hun oogkleppen kunnen afdoen en even erg worden als politieke dwepers en gelovige fundamentalisten. Ik heb de voorbije jaren al een paar keer het genoegen gehad om samen met het genootschap op de planken en staan en ik vond het ook een eer om op 29 juni hun nieuwe boek Aap noot Mies Wim not yet tijdens een vrolijke middag in Haarlem in ontvangst te mogen nemen.
Ook heb ik inmiddels aan de minimale verplichting van de Dichter des Vaderlands voldaan. Ik kreeg namelijk net als mijn voorganger de opdracht om tenminste vier keer per jaar een gedicht in NRC Handelsblad te publiceren over een onderwerp van enig nationaal gewicht. En zo rond 1 juli heb ik derhalve de gedichten 15 en 16 afgeleverd, zodat niemand mij wat dat betreft aan het eind van mijn vierjarige ambtsperiode enig verwijt kan maken. De rest is toegift. Natuurlijk was na de aanvankelijke opwinding de uitschakeling van het Nederlands voetbalelftal tijdens het Europese kampioenschap poëziewaardig en, zoals ik reeds had aangekondigd, voelde ik mij als roker persoonlijk zo betrokken bij het rookverbod in de horeca dat ik op 1 juli de dichterlijke kans niet heb laten voorbijgaan. Ik schreef voor die onheilsdag het sonnet getiteld 'De laatste roker' (met dank aan W.F. Hermans). Het gedicht staat ook op de website Dichter op het Scherm van de Koninklijke Bibliotheek. Zie daarvoor de rubriek Gedichten des Vaderlands: 'De laatste roker'.
Het werd natuurlijk ook tijd om aan die zo-even genoemde minimale verplichting te voldoen, want net als voor George Bush zijn ook voor mij de laatste maanden van mijn ambtsperiode aangebroken. In januari 2009 is het zover. Maar in tegenstelling tot de gang van zaken bij Amerikaanse presidentsverkiezingen zit een tweede ambtstermijn er voor mij niet meer in, zelf als ik dat zou willen (wat niet het geval is). De vier partijen die ooit (in 2000) het instituut van het Dichterschap des Vaderlands in het leven hebben geroepen, hebben immers plotseling de procedure ingrijpend gewijzigd. Vier jaar geleden vond er nog een tamelijk democratische verkiezing plaats, maar daarvan is nu welbeschouwd geen sprake meer. Door de initiatiefnemers onder aanvoering van Poetry International is op een tamelijk ondoorzichtige en dirigistische wijze een commissie samengesteld die uiteindelijk een drietal dichters moet aanwijzen die voor een verkiezing in aanmerking komen. Ik heb het donkerbruine vermoeden dat de plotselinge procedurewijziging is ingegeven door de vrees dat er andermaal een vrolijke vormvaste dichter van mijn kaliber uit de stembus zou kunnen komen, iets waar bepaalde doorgewinterde poëzieliefhebbers niet zo blij mee zijn. In eerste instantie beschouwde ik de nieuwe opzet dan ook even als een affront, maar bij nader inzien is het eerder een compliment. En ik wacht verder geduldig af. Ik vrees dat de drie uitverkorenen nogal gelijksoortig zullen zijn uit één bepaalde hoek en dat de verkiezing in hoge mate zal lijken op een aantal van onze burgemeestersverkiezingen van de laatste tijd, maar wellicht valt het mee en zal de kersverse commissie onder leiding van Jeltje van Nieuwenhoven een toch wat bredere keuze doen. En krijgen we ook volgend jaar een toegankelijke Dichter des Vaderlands.
En in ieder geval een Dichter des Vaderlands die zich niet te verheven voelt om zich in zijn functie met alledaagse zaken bezig te houden. Ook waar het de media betreft. Regelmatig wordt er immers een beroep op mij gedaan. Want het mag dan zijn dat sommige programma's (onder andere 'Pauw & Witteman' en 'De wereld draait door') mij niet of nauwelijks weten te vinden, andere wel. Zo mocht ik op 2 juli in mijn eentje de jury vormen bij de zogeheten ABBA-dichtwedstrijd op Radio 2. Een leuk idee. De hele dag werden er plaatjes van de beroemde Zweedse groep ABBA gedraaid en de luisteraars mochten gedichten insturen, geschreven volgens het rijmschema ABBA (omarmend rijm). En ik mocht dan de beste gedichten aanwijzen en mijn keuze enigermate beargumenteren. Hetgeen ik natuurlijk met grote zorgvuldigheid gedaan heb. En ook mocht ik op 26 augustus mijn medewerking verlenen aan het nieuwe EO-radioprogramma 'Dit is de dag'. Mijn taak hield in dat ik een uur lang zou luisteren naar de onderwerpen die ter tafel kwamen en dat ik daar dan in een soortement sneldicht op zou reageren. Nu ben ik geen Willy Alfredo ('Roept u maar'), maar één uur is nog net voldoende tijd om een aantal regels op papier te krijgen waar je je later niet voor hoeft te schamen. Ik schreef zelfs twee korte gedichten ('sonnettettes'): het ene gedicht over de bergbeklimmer van de K2 en het andere over al die Olympische sporters die eerst een kruis slaan of een schietgebedje doen om God te hulp te roepen die hen kennelijk beter laat presteren. Dit kwam er uit mijn pen:
Hoop en Dope
Natuurlijk heeft God alle mensen lief,
Maar hij bevoordeelt kennelijk hierboven
Vooral de sporters die in Hem geloven
En dat vind ik in wezen niet sportief.
Je moet ze dus op doping controleren
En bovendien ook op de hulp des Heren.
Bij de EO waren ze heel tevreden. Zo'n gedicht kan daar dus. Ook daar groeit kennelijk de zin voor relativiteit en de waardering voor de poëzie. Het gaat goed in Nederland.
© Driek van Wissen