Havendiner, Pieterspad en democratie
Een Dichter des Vaderlands is een veelgevraagd man. Want het Vaderland weet hem nog steeds te vinden, al woont hij ook in het hoge Noorden, in de mooie stad Groningen. En dus heb ik wederom in de afgelopen herfstmaanden mijn ganzenveer met grote regelmaat in de inkt gedoopt om aan allerlei verzoeken en opdrachten te voldoen. Dat betrof bijvoorbeeld een speciaal gedicht bij het Havendiner in Delfzijl waar allerlei hele en halve havenbaronnen in een met zeecontainers opgebouwde tochtige ruimte een chique maaltijd kregen opgediend, een gelegenheidsvers voor een avond in de Kleine Komedie in Amsterdam waar de autobiografie van Willem Wilmink, een Dichter des Vaderlands avant la lettre, ten doop werd gehouden en een dichterlijke feestrede in Vorden bij de viering van 25 jaar Pieterpad, waarin ik alle 27 halteplaatsen van Neêrlands beroemdste wandelroute (van Pieterburen naar de Sint Pietersberg in Maastricht) op rijm bij langs ben gegaan. Laat ik hier volstaan met het begin van dit wandelepos, de start:
Al word ik door de wandelende tak
Van mijn familie niet voor vol gerekend,
Want wandelen is niet bepaald mijn vak,
Toch loop ik als het moet nog steeds uitstekend.
En daarom dacht ik onlangs: weet je wat?
Om hun te tonen hoe ze zich vergissen
Loop ik in één ruk heel het Pieterpad.
En hoe dat pad loopt, ach, dat kan niet missen.
En daar ik in een dorp achter de dijk
Toevallig net de zeehondjes bezocht
Die ik geregeld in hun crèche bekijk
Begon ik daar meteen mijn wandeltocht.
Ja, na het startschot ging ik snel van start,
Een schot dat werd gelost door Lenie 't Hart,
Een vrouw door wie ik mij graag weg laat sturen
En zo verliet ik haastig Pieterburen.
Enzovoort, enzovoort. Voor de rest van het gedicht kunt u eventueel terecht op de website van het Pieterpad, want het is onwaarschijnlijk dat het ooit in een of andere bundel in druk zal verschijnen. Daarvoor is het natuurlijk te veel gelegenheidswerk. Maar het internet is vandaag de dag een nuttig medium om de poëzie te verspreiden en te bevorderen en veel dichters en dichteressen in de dop die waarschijnlijk de uitstalkast van de boekwinkel nooit zullen halen kunnen hier gemakkelijk hun scheppingen kwijt.
Dat is alleen maar positief en het voorkomt ook een hoop teleurstellingen. Want ook als je als dichter of schrijver het geluk hebt dat een uitgever jouw werk in druk wil verveelvoudigen, is de eeuwige roem meestal nog ver weg. Dat besef kwam bij mij tenminste weer helemaal boven bij een werkbezoek aan Manuscripta in Amsterdam in het eerste weekend van september. Toen zag ik weer hoeveel uitgeverijen ons land wel niet rijk is en hoeveel boeken van hoeveel auteurs zij bijna wanhopig aan de man (en vooral de vrouw) proberen te brengen. En dezelfde verbazing overviel me toen ik op 12 oktober als een van de honderden kinderboekenschrijvers rondliep op de grote kinderboekenmarkt in het Stadhuis in Den Haag. Ik dacht dat ik voor de kinderboekenweek een mooi boek (Wat een land!, een inburgeringscursus op rijm voor kinderen) geschreven had, maar ik was niet de enige. Integendeel.
Als dichter ben je alleen maar de enige aan je eigen zogeheten schrijftafel. Of als je voor anderen je poëzie mag laten horen. Het maakt niet uit wat voor publiek, of het nu een klas van de basisschool in Zoetermeer betreft, stokoude reünisten van de HBS in Assen of de aanwezigen bij de opening van de Dag van de Groninger geschiedenis (11 oktober). En telkenmale trof ik een aandachtig en dankbaar publiek.
Dat wens ik natuurlijk de volgende Dichter des Vaderlands ook toe. Of de volgende Dichteres des Vaderlands. Dat behoort in elk geval tot de mogelijkheden. Want de commissie die op tamelijk raadselachtige wijze de opdracht heeft gegrepen om voor de komende verkiezing van mijn opvolger een selectie te maken uit de duizenden dichters en dichteressen die ons land rijk is, heeft inmiddels de keuze beperkt tot een tiental poëten, waarvan vier vrouwen. De namen zijn openbaar gemaakt en ik moet zeggen dat de keus in elk geval zeer divers is. Er zijn ook een aantal genomineerden bij aan wie ik met genoegen mijn stem zou willen geven, maar die namen verklap ik niet, om hen niet te bevoordelen of wellicht juist te benadelen. Alleen is de volgende stap dat het tiental genomineerden wordt teruggebracht tot vijf en dan moet ik nog maar zien wie er overblijven. Mijns inziens een merkwaardige en onnodige procedure. Geef, als je toch een beetje democratisch wil zijn, de kiezers de royale keus uit deze tien personen. Maar nu moeten er vijf afvallen, op gronden die altijd duister zullen blijven. En bovendien diskwalificeer je daarmee onnodig het vijftal afvallers.
In een artikel in het NRC Handelsblad van 31 oktober geeft Bas Kwakman, volgens mij de auctor intellectualis van de nieuwe procedure, sowieso al aan een wat eigenzinnige opvatting over democratie te hebben. Dat iemand campagne voert, noemt hij 'minder democratisch'. Dat moet hij maar eens tegen Obama zeggen. Kwakman verwijst uiteraard naar de aanloop van mijn verkiezing tot Dichter des Vaderlands: ik zou een intensieve campagne gevoerd hebben en 'pennen hebben uitgedeeld met een gedichtje en postzegels laten ontwerpen'. Goed, ik heb ooit 250 pennen laten maken met een wervende tekst en een goede vriend van mij heeft eertijds 20 speciale postzegels bij ons postbedrijf besteld, zoals iedereen dat kan voor een grijpstuiver, maar blijkbaar is nog steeds niet duidelijk dat mijn zogenaamde campagne fake was. Het beste bewijs daarvoor is dat mijn dichtervriend Jean Pierre Rawie mijn zogeheten campagneleider was. Maar als iemand echt campagne wil voeren moet je natuurlijk niet een van de luiste mensen van Nederland in die functie benoemen. Dan kun je nog beter Kay van der Linde nemen. Maar goed, het vergt enige zin voor relativiteit om dit door te hebben en dat is niet ieder gegeven. En de redenatie gaat in elk geval voorbij aan het feit dat er nu eenmaal veel mensen zijn die, bijvoorbeeld bij de keuze tussen Ilja Pfeijffer en Driek van Wissen, liever voor de meer toegankelijke dichter kiezen en gekozen hebben, campagne of niet.
Het zal waarschijnlijk ook de reden zijn waarom ik kort geleden door het accountants- en consultancybureau BDO werd uitgenodigd om namens dit bedrijf een poëtische column uit te spreken tijdens de zeven uitreikingen van de zogeheten Gazellenprijzen (voor de snelst groeiende ondernemingen) op verschillende plaatsen in den lande en wel over het thema 'Hoera, een crisis!' In november ben ik dus op een bijzondere tournee. Het resultaat is geen hoge poëzie, maar het is wel een sympathieke opdracht, waar ik ook nog een aardige zakcent mee bijverdien. Dat is dan ook een extra reden om de stelling 'Hoera, een crisis!' met overtuiging te onderschrijven. Maar tevens een aardige aanleiding voor mijn Muze om een parallel te trekken tussen het huiselijk leven en het zakenleven, hetgeen klip en klaar moge blijken uit het vierde couplet van dit omvangrijke gedicht
Ook ben ikzelf als man niet altijd trouw
En al toon ik steeds schuldbewust berouw
Toch krijg ik dan een crisis met mijn vrouw.
Ze is al dikwijls heel erg boos geworden
En grijpt dan altijd naar ons porselein,
De kopjes en de schotels en de borden;
Die slaat ze in haar woede kort en klein.
Zo gaat dus, om de crisis te bestrijden,
Een heel servies aan stukken van ons beiden,
Maar dat is iets waar ik nou juist op hoop:
Het voordeel van dat stukgemaakt servies is
Dat ik daarna iets nog veel mooiers koop.
En daarom denk ik steeds: 'Hoera, een crisis!'
Ook voor de echte zakenman geldt dit
Voor wie de innovatie het devies is
Juist als hij schijnbaar met de brokken zit,
Dan denkt hij stiekem ook: 'Hoera, een crisis!'
© Driek van Wissen